Posteleinsoep

Ik hou van supersimpele gerechten, van experimenten die goed uitpakken en van eten niet hoeven weggooien. Deze posteleinsoep was daarmee driedubbel bingo, ik werd er helemaal blij van. 

Het kwam zo: ik had laatst postelein over. Nogal veel postelein. Die was een nacht op het aanrecht blijven staan, omdat ik dacht: het is zoveel, dat gaan we nevernooitniet opeten, dus het moet maar op de composthoop. Snif. Want je kunt van alles met postelein, maar lang houdbaar is hij niet… En toen was daar de volgende dag die vlaag van inspiratie: posteleinsoep. Ik ben meestal geen fan van soep van  groene blaadjes – niet dat het niet lekker is, maar ik eet ze liever rauw. Zeker in dit hoera-er-is-weer-verse-sla-seizoen. 

Winterpostelein, foto via bezorgservice goudenpompoen.nl

Maar onder het motto ‘beter opeten dan weggooien’ maakte ik de volgende dag dus maar soep van mijn bergje postelein. Met enige twijfel, want ze waren niet frisser geworden van die nacht op het aanrecht. 

Overigens: kleur is een dingetje bij postelein. Zoals je op de foto ziet heeft postelein vaak wat rood-bruine blaadjes. Google kan me niet vertellen hoe het komt (misschien zijn er meelezende tuinders of moestuiniers die me dat kunnen uitleggen?) maar de grap is dat die blaadjes precies zo smaken als hun heldergroene broertjes en zusjes. Ze zijn niet verlept of zo, het is gewoon een kleurverschil. In salade vind ik het net wat minder mooi, maar in soep zie je er blijkbaar niks van terug. Die is ook zonder instagramfilter knalgroen. 

Recept posteleinsoep

Nodig: een teen knof, een ui, een aardappeltje, een paar flinke handen vol postelein, een ruime pond voor 3 koppen soep. Eventueel wat bouillonpoeder*. Water, peper, zout. Een lenteuitje voor het mooi. 

Doen: Hak de knof fijn, snipper de ui, en snij het aardappeltje in kleine blokjes. Fruit alles met wat olijfolie en een snuf zout in een pan met dikke bodem tot de ui zacht is en de aardappel gaar. Was ondertussen de aanhangende aarde uit de postelein. Minimaal twee, meestal drie keer spoelen.  

Verwarm wat water in een pannetje of waterkoker (voor drie koppen soep: pakweg 600 ml.). Doe de postelein handje voor handje in de pan en laat ‘m slinken. Dit is even zoeken: je wilt de postelein niet tot snot koken, maar hij moet wel gaar worden. Wanneer alle postelein geslonken is doe je heet of kokend water erbij, en eventueel wat bouilllonpoeder. Pureer de soep met een staafmixer en breng op smaak met zout en peper. Serveer meteen, versierd met wat ringetjes lenteui. 

Je zou er wat room, crème fraîche of yoghurt door kunnen doen, maar ik vind het niet nodig: hij smaakt zo puur helemaal naar lente. Plus: hij is geschikt voor de veganchallenge – ook fijn. (Ik doe zelf nu niet mee overigens, maar als je creatiever plantaardig wilt leren koken is het zonder meer een aanrader. Ook als je niet meteen fulltime veganist wilt worden.) 


* Nog even over bouillonpoeder. Ik zou in dit recept geen bouillon van een blokje gebruiken, de hartigheid daarvan overheerst de frisheid van de postelein. Zelf gebruik ik een mix van gedroogde kruiden waar verder geen zout of andere toevoegingen in zitten, o.a. op verschillende biologische markten te koop bij Spices and more. Je zou ook wat fijngesneden selderijblad of lavas kunnen gebruiken in dit recept. 

Ossobucko – of knolselderij alla Milanese

Pas toen dit gerecht op mijn bord lag realiseerde ik me dat het een soort nep-ossobuco was. Gaargestoofde plakken in pittige tomatensaus, met romige risotto. Maar dan met knolselderij in plaats van kalfsschenkels. Denkend aan het gehackt en de kipstuckjes van de Vegetarische Slager heb ik deze combi dan maar ossobucko gedoopt.

Wat gaat er in?

Voor de ossobucko:

  • een halve knolselderij
  • passata (zelfgemaakt, of uit de winkel. Tomaten uit blik kan ook.)
  • een ui, fijngehakt
  • een wortel, in kleine blokjes
  • 1-2 tenen knoflook, geplet en fijngehakt
  • chilipoeder, of een pepertje

Voor de risotto:

  • rondkorrelige rijst (carnaroli  of arborio), pakweg 50 gr. per volwassene. Dat lijkt weinig, maar is echt genoeg tenzij je de hele dag aardappels hebt gerooid of zo. Risotto is machtig. 
  • bouillon
  • evt. witte wijn
  • spinazie (diepvries of vers) 
  • olijfolie
  • pittige overjarige kaas, geraspt

In echte risotto alla Milanese hoort overigens saffraan. Die laat ik uit budgettaire overwegingen meestal weg, en ik mis ‘m niet. 

Hoe maak je het? 

  1. Maak de knolselderij schoon, en snij in repen, blokjes of plakken. Doe een scheut olijfolie in een pan met dikke bodem, en bak de knolselderij even aan op middelhoog vuur.
  2. Doe de ui, wortel en knof erbij en zet het pitje laag. Laat een paar minuutjes fruiten. 
  3. Doe dan de passata erbij, chilipoeder, wat zout en peper, en stoof tot de knolselderij zacht en gaar is (maar niet te). 
  4. Maak ondertussen risotto. Als de risotto zo goed als gaar is schep je de spinazie erdoor. Als de blokjes ontdooid zijn (of de verse spinazie geslonken) roer je de kaas er door. Breng op smaak met zout en peper. 
  5. Proef de tomatensaus en breng op smaak. Hij moet licht pittig zijn, vol van smaak, en een tikje zoet. 

Oh ja, echte ossobuco maak je zo.  Die is met gremolata, een strooisel van knoflook, citroenschil en peterselie. Dat zou hier ook goed bij passen (hoewel ik wat twijfels heb over de citroen). Minimaal de peterselie voor het mooi. Als ik er aan toe kom zal ik eens een keer een betere foto maken. 

 

Stamppot voor als de knollen op moeten

Een supersimpel receptje dat helemaal past bij deze tijd van het jaar: knollenstamp. Toegegeven, het klinkt niet per se uitnodigend, maar het is erg lekker. En nog mooi ook. Grote plus: hiermee maak je in één klap al die overgebleven knollen op. Een paar verkreukelde bietjes, dat stuk knolselderij wat écht niet meer in de salade kan, en zo’n koolraap die je al iets te lang verwijtend aankijkt vanuit de groentela. Hop, alles in de stamppot! 

Nodig

Met neme: een min of meer willekeurige verzameling wortel- en knolgroenten. Pastinaak, wortels, aardpeer, knolselderij, koolraap – mag allemaal. En als je roze stamppot wilt: minimaal 1 bietje per 2 personen. Meer kan ook, dan wordt ‘ie prachtig donkerroze.

Hoeveel? Het Voedingscentrum doet in stamppotrecepten pakweg 500 gram wortelgroente per persoon. Dat lijkt me wat veel, tenzij je er verder niks bij eet of de hele dag klinkers hebt gesjouwd. Maar goed: jij weet hoeveel je tafelgenoten zo ongeveer eten. En als er overblijft kun je natuurlijk weer soep maken met de restjes. 

Hoe maak je het? 

Maak de wortels en knollen schoon. Zet op met niet te veel gezouten koud water, en kook tot alle groenten gaar* zijn.  Giet af, en vang het kookwater op. Doe een scheut kookwater bij de groenten, en stamp de groenten zo grof of fijn als je zelf lekker vindt. Als je geen aardappels hebt meegekookt kun je ook de staafmixer gebruiken (op een lage stand) om de stamppot wat gladder te krijgen.  Maak af met boter en evt. nog wat zout en peper. 

* Uiteraard hebben niet alle knolgroenten dezelfde kooktijd: wortel en koolraap hebben langer nodig dan pastinaak en aardpeer. Als je dus alles tegelijk opzet is de pastinaak op het randje van uit-elkaar-vallend-zacht terwijl de wortel net gaar is. Als je dat erg vindt kun je eerst de knollen die langer nodig hebben aan de kook brengen en na een paar minuten de andere toevoegen. Ik vind het zelf uiteindelijk niet bijster veel verschil uitmaken, zeker omdat het kookvocht ook de stamppot ingaat.

Dat maakt trouwens wél verschil, het gebruiken van dat kookvocht. Het is nogal zonde om dat door de gootsteen te spoelen: het zit namelijk boordevol met vitamines en smaakstoffen. Daarom gebruik ik kookvocht in plaats van de traditionele scheut melk. 

Eten met?

Ik at ‘m laatst met gegrilde prei, linzenkoekjes en een sausje van knoflook, fijngehakte walnoten en yoghurt. En eerder met bladkool en kaasburgertjes. Maar ouderwets met een bal gehakt kan ook prima – iets van bladgroente erbij of erdoor is wel lekker. (Knollenstamp met rauwe winterpostelein! En over een maandje met raapsteeltjes. Of, doe eens gek: molsla! Nomnomnom!) 

Soep van de restjes

Niet alles opgegeten? Leng het restant stamppot aan met het bewaarde kookwater. Breng op smaak: compenseer een teveel aan zoet met een beetje zuur: een pietsje citroensap of een schep yoghurt. 

Gegrilde prei met panir – recept

Een excuus aan de volgers van de “Lekker van het land“-recepten is op zijn plaats: ik heb al in geen maanden recepten geschreven in deze serie. Sorry! Andere prioriteiten, zoals dat gaat. Maar ik heb een paar radicale keuzes gemaakt, en heb – hoop ik – de komende tijd weer meer tijd om te schrijven. Want inspiratie genoeg! 

Ik schreef vorig jaar rond deze tijd al eens over prei, hoe onderschat het is als groente op zichzelf. Zo jammer, prei is heerlijk! Daarom trappen we deze doorstart af met een lekker, snel en simpel preireceptje met panir. 

Wat is panir?

Panir (of paneer, beide vormen zijn goed) komt oorspronkelijk uit India. Het wordt gemaakt van met zuur gestremde melk, en is dus helemaal vegetarisch. Het is erg veelzijdig: het laat zich uitstekend marineren, is lekker in vega-spiesjes voor op de barbecue, in Indiase curries en andere stoofjes, en bakt in blokjes of plakjes prachtig krokant (vegetarische spekjes anyone?). En het is vreselijk lekker als je het grilt met allerlei soorten groente. Omdat panir op zichzelf vrij neutraal smaakt mag je royaal zijn met kruiden en zout. Te koop bij biologische supermarkten en boerderijwinkels, en dan komt het vaak uit de kaasmakerij van Kleinlangevelsloo uit Raalte. (Die trouwens in januari voor de tweede keer biologische boerderijwinkel van het jaar werden, hoera!

Nodig: 

  • 1 prei per persoon
  • beetje boter
  • wat reepjes panir. Verkruimelde feta, zachte geitenkaas of halloumi kan ook. 

Hoe maak je het?

  1. Maak de prei schoon. Ik vind het leuk om ‘m in lange repen te laten, door de prei in kwarten te snijden, maar als je op de automatische piloot ringen hebt gesneden gaat dat ook prima. 
  2. Stoof de prei met aanhangend water in wat boter beetgaar, dat duurt niet langer dan een paar minuten. Breng op smaak met zout en wat peper. Afhankelijk van wat je er verder bij eet kan het lekker zijn om er een paar drupjes citroensap bij te doen. 
  3. Doe de prei in een ovenschaal, verdeel de plakjes panir erover en grill tot de panir goudbruine randjes krijgt (pakweg 10 minuten). 

Lekker bij stamppot met wortels (zeg maar hutspot zonder de ui), of met gekookte aardappeltjes en salade. Of je legt de beetgare prei op een bladerdeegbodem, dan heb je een taartje. 

 

Waxy wattes? Even over chocoladevla. Met recept!

Stadsgenoot Gouden Pompoen bezorgservice schreef in zijn nieuwsbrief deze week over chocoladevla. Blijkbaar zit daar een niet-biologisch ingrediënt in: “waxy maiszetmeel” – volgens Wikipedia een goedje dat “bij het bewaren minder last heeft van opdikken”. Wat dat dan ook mag betekenen. Verder zit er (naast melk, suiker, cacao en “gewone” maïszetmeel) ook nog carageen in de vla, een bindmiddel. En zout. Zout? In de vla? 

Is dat erg, vla maken met drie verschillende bindmiddelen en zout? Ik zou het je niet kunnen zeggen. Wat ik wel weet: het kan ook anders. Vla is namelijk hartstikke simpel zelf te maken. (Tekst gaat verder onder het plaatje.)

Wat is vla? 

Vla is gebonden melk, met een smaakje. Er gaat dus melk in, iets om te binden, een smaakmaker, en meestal ook iets van zoet. Stappenplan:

  • melk verwarmen
  • bindmiddel erbij wanneer de melk tegen de kook aan zit
  • al kloppend doorwarmen tot de melk dikker wordt
  • smaakmaker erbij, en naar smaak zoeten
  • laten afkoelen

That’s it – in grote lijnen. Tien minuten werk. Max. (Plus afkoeltijd natuurlijk. Maar dan kun je wat anders gaan doen.)

Over de ingrediënten

Melk dus. Ik gebruik meestal koemelk, maar plantaardige melk gaat ook prima. En wat ook lekker is: half melk, half fruitmoes. Dan krijg je fruitvla. 

Dan het bindmiddel: per halve liter melk pakweg 30 gram rijstmeel (= ongeveer drie eetlepels). Rijstmeel proef je niet, het bindt goed en laat zich zonder klonteren door de melk kloppen- maar in principe kun je iedere soort meel of bloem gebruiken om vla te maken. Mijn antieke huishoudschoolkookboek stelt maizena voor, 25 gram per halve liter melk. Dat moet je wel even met koude vloeistof tot een papje roeren voordat het bij de warme melk gaat, want maizena klontert snel als het warm wordt.

De precieze hoeveelheid bindmiddel is overigens naar eigen inzicht. Hou je van dikkere vla (richting pudding) dan gebruik je wat meer, wil je dunnere vla, dan gebruik je wat minder. 

Dan de smaakmaker. Chocolade dus, in dit geval. In welke vorm dan ook – als ik het in huis heb kies ik liever voor stukjes (pure) chocola (gewoon van een reep dus) dan voor cacaopoeder. Gebruik zoveel als je zelf lekker vindt, dat is een kwestie van doorroeren en proeven. Cacaopoeder: zo ongeveer 25 gram per halve liter melk. De poeder even omroeren met een beetje melk gaat klontjes tegen (en je zou ook nog eerst chocolademelk kunnen maken en die daarna kunnen binden).

Het leuke is dat je allerlei soorten smaakjes kunt gebruiken. Kookvriendinnetje Kim van Feed your roots (even ongegeneerd reclame maken hoor: als je biologische cateraar zoekt in de omgeving van Soest moet je bij haar zijn!) leerde me sinaasappel- en hazelnotenvla maken. Zelf maakte ik laatst een vlierbessenvla met vlierbessensiroop en specerijen, en die simpele chocoladevla kun je spannender maken met gembersiroop (en stukjes stemgember), sinaasappelrasp of amaretto met verkruimelde bitterkoekjes. 

Dan het zoet: gebruik vooral jouw favoriete zoetstof. Het grote voordeel van witte suiker vind ik dat geen extra smaakjes toevoegt, anders dan bijvoorbeeld honing, ahornsiroop ed. Hoewel dat smaakje juist ook weer een voordeel kan zijn natuurlijk. Hoeveelheid alweer naar smaak – proeven dus! Als je stukjes chocola gebruikt als smaakmaker (of siroop, likeur en dergelijke) hoeft er meestal weinig tot geen extra suiker bij. Mijn huishoudschoolkookboek vindt dat er 60 gram suiker bij mag (op 25 gram cacao, en een halve liter melk) – maar dat lijkt me wat veel. Ik weeg niet, ik proef: the proof of the pudding is in the eating

PS Helemaal gladde vla maken is best een kunstje: er blijven altijd wel wat klontjes. Ik vind dat zelf niet erg, maar als je gruwelt van klontjes kun je de vla ook gewoon even zeven. 

Oeps… het kerstdiner! Festive veggies

Zo fijn ieder jaar, die alles-moet-nog-even-af-voor-de-kerstvakantie drukte. En dan is er zo’n stemmetje in je achterhoofd dat zegt: “kerstdiner”. “Kerstdiner!”. “KERSTDINER!!!”. Wat te doen? Want het gaat natuurlijk allemaal om samenzijn en vrede op aarde en meer van dat soort tradities (hum…) – maar, nou ja, je wilt toch ook geen stamppot boerenkool eten met Kerst. En ook niet zwetend in de keuken staan met ultra-ingewikkelde recepten die je nooit eerder hebt gemaakt. Anti-stress-tip: niet doen. Gewoon niet. Blijf lekker een beetje binnen je comfortzone. Niet te ingewikkeld, wel feestelijk. 

Ik ga er voor het gemak even van uit dat je al een hoofdgerecht hebt, maar of je nou kalkoen eet, knolselderijgebraad of feestelijk gefrituurde tofu – misschien zijn een paar niet al te ingewikkelde en toch speciale groentegerechten wel fijn. Feestgroente dus, of – omdat het in het Engels lekkerder bekt – festive veggies.

Geroosterde pompoen

Dit is een van mijn lievelingsgerechten. Zoet, kruidig, met een bite en toch koesterend. Comfort food in optima forma. Qua kerstdiner ook fijn: het is prima van te voren te maken, en ook op kamertemperatuur heel lekker. Bonus: van kliekjes maak je verrukkelijke soep.

Nodig:

  • 1 pompoen, een gewone oranje of een flespompoen
  • olijfolie
  • zout, peper
  • specerijen naar keuze


Hoe maak je het? 

Was de pompoen, verwijder de steel en het kontje, en snij lelijke plekjes van de schil. De rest van de schil lekker laten zitten, die is bij alle oranje pompoenen prima eetbaar. Snij de pompoen in stukjes.

Pompoensnijtip! 

In veel recepten lees je dat je een pompoen moet halveren en vervolgens de pitten met een lepel moet uitscheppen. Ik heb het afgelopen jaar zonder overdrijven tientallen pompoenen schoongemaakt en vind dit ontzettend onhandig. Hoe ik het doe:

  • Zorg voor een goed scherp mes. Even een aanzetstaal er langs doet al wonderen! 
  • Snij een stuk van de pompoen, niet te groot, alleen door het vruchtvlees. Probeer het middendeel met de pitten heel te laten. 
  • Leg de pompoen op de afgesneden zijde en herhaal
  • Werk zo de hele pompoen rond: in pakweg zes snedes snij je al het vruchtvlees weg. 
  • Snij de bovenkant en onderkant van de pompoen af

Als je dit eenmaal in de vingers heb je in een mum van tijd een aantal verder te verwerken grote stukken, en hou je een keurige kern over zonder te hoeven frutten met de glibberige prut rondom de pitten. 

Snij de pompoen in stukken ter grootte van pakweg een vinger en doe ze in een ovenschaal met een bescheiden scheutje olijfolie. Bestrooi met wat zout en peper en kruiden of specerijen naar keuze. Mijn favoriete combinatie op dit moment is chiliflakes en venkelzaadjes, maar tijm en knoflook zijn ook heerlijk, of rozemarijn, gember of salie. Kies een (combinatie van) specerij(en) die ook terugkomt in je hoofdgerecht. Rooster de pompoen op 220°C tot hij gaar en zacht is, en her en der wat geroosterde randjes heeft – dat duurt meestal ongeveer 20 minuten. 

Serveer op een mooi schaaltje, en versier met fijngehakte kruiden, een paar schijfjes citroen of bijvoorbeeld wat pompoenpitjes.

Kerstproof knolselderij

Zo’n recept dat vrij simpel is, verbijsterend lekker en ook nog eens feestelijk. Ik zeg: winner. 

Nodig:

  • 1 knolselderij
  • 1 granaatappel, of 2 sinaasappels
  • handvol walnootjes
  • volle, dikke yoghurt. Ik vind de Yogarde van Drentse Aa het allerlekkerst.
  • walnotenolie
  • zout

Rooster de walnoten in de oven (8-10 minuten op 175°C) en laat afkoelen. Meng een flinke schep yoghurt met zoveel walnotenolie dat je de walnoot echt proeft en breng op smaak met wat zout.

Schil de knolselderij, en maak ‘m fijn. Je kunt ‘m raspen of fijnhakken, of schaaf er plakjes van. Een keukenmachine is wel een aanrader, maar het hakhakje van een staafmixer doet ook al wonderen, dan krijg je een soort knolselderijkruimels. Schep de dressing meteen door de knolselderij. 

Haal de pitjes uit een granaatappel, of schil de sinaasappels zo dik dat je al het wit wegsnijdt, en snij in stukjes. 

Meng de knolselderij met het fruit en de walnoten, en schik mooi op een schaal. Ook lekker, en mooi: nog wat waterkers of rucola erdoor. 

Spruiten met pastinaak en hazelnoten

Voor mij horen spruitjes net zo bij een kerstdiner als ballen in een kerstboom. En het allerlekkerst vind ik ze met pastinaak, hazelnoten en eventueel wat uitgebakken spekjes. 

Nodig:

  • pondje spruiten 
  • 1-2 pastinaken
  • teen knoflook, fijngehakt
  • boter,
  • zout, peper
  • hazelnoten
  • drupje citroensap

Hoe maak je het?

Rooster de walnoten in de oven (8-10 minuten op 175°C) en laat afkoelen.  Leg de hazelnoten in een dubbelgevouwen theedoek en wrijf de velletjes eraf. Laat ze heel, of hak ze fijn. 

Schil de pastinaak en snij in blokjes. Maak de spruiten schoon. Verhit een klontje boter in een koekenpan en doe de spruiten en de pastinaak erbij. Bak even aan op tamelijk hoog vuur, zet dan zachter en doe de knoflook erbij. Laat de groente met een deksel op de pan de groente rustig gaar worden. Maak af met zout en peper, nog een beetje extra boter, en een drupje citroensap. Bestrooi met de hazelnoten. 

Nog een paar fijne groentegerechten

En als je dan toch dreigt te gaan stressen, kijk dan vooral nog even naar de tips van Koken met Karin voor een stressvrij kerstdiner. 

Fijne dagen! 

PS Mocht je nog op zoek zijn naar een leuk kerstcadeau: ik geef in 2017 weer drie keer de korte kookcursus Aandacht voor eten. Kan prima onder de boom! 

The morning after – een dag voor comfortfood

Ik was gisteren bezig aan een stukje over al dan niet lokale suiker. En toen werd ik vanochtend ineens wakker in een andere wereld. Donald Trump heeft de Amerikaanse verkiezingen gewonnen. OMG. Ik ben geschokt, angstig. Maar gek genoeg ergens ook… hoopvol is niet het woord. Meer het gevoel te leven op een moment van mogelijkheden. Alles ligt nu open. Ik ben zo toe aan radicale verandering, een nieuwe wereld, het dolgedraaid economisch systeem op de helling. Is dit die helling dan, anders dan gehoopt maar misschien toch een route naar verandering? Of is het het hellend vlak naar de Apocalyps? Ik weet het niet. Maar bang blijven is simpelweg geen optie. Opgeven ook niet. Stug blijven werken aan een betere wereld wel. Who needs politicians anyway? 

Wat ik wel nodig heb vandaag is troosteten. Voedsel dat me helpt gronden in het hier en nu. In wat echt is. Dat me helpt verbinden met mijn geliefden, met m’n hart, ziel en lichaam. Weg van de beeldschermen, de angst. Dus. Als ik de kinderen van school heb gehaald ga ik fijn koken straks. Comfortfood. 

foto via grootmoederstijd.nl
foto via grootmoederstijd.nl

Kippensoep met knollen

Kippensoep is altijd goed. Voor voor herstellende zieken, of op dagen van verdriet of rouw. En de zachte zoete volheid van wortel- en knolgroenten maakt er een ultiem troostsoepje van. Het internet staat al vol met soeprecepten, maar dit is zo ongeveer de mijne voor vandaag. 

De bouillon:

  • kippenvleugeltjes
  • wat knol- of groenselderij 
  • een wortel
  • een ui, of prei
  • teen knoflook, geplet
  • olijfolie
  • zout& peper, tijm, evt. venkelzaadjes en/of chiliflakes

Verwarm de oven voor op 180 graden. Snij de groente in stukken, en doe met de kippenvleugeltjes in een ovenschaal. Schep alles om met een beetje olijfolie, en bestrooi met tijm, misschien wat venkelzaadjes. Als je blij wordt van pittig: doe er wat chiliflakes bij. Bak in de oven tot de vleugeltjes en de groente goed gaar zijn en lekker zoet (pakweg een half uurtje). 

Doe alles in een soeppan met zoveel water dat de boel net onder staat. Laat trekken tot alle smaken in de bouillon zijn opgenomen (een half uurtje doet al een boel, een uur is prima, nog wat langer kan geen kwaad) en zeef de bouillon dan. Gooi de groenten weg. Als het vlees aan de botjes nog iets van smaak heeft (of als je het niet over je hart kunt verkrijgen om het weg te gooien) kun je dat nu uit de prut vissen en later weer toevoegen aan de soep.  

De soep:

  • prei
  • wat wortelgroente naar keuze: knolselderij, pastinaak, wortel, wortelpeterselie etc. Niet te veel. 

Snij de prei in ringetjes, en de wortelgroente in kleine blokjes. Verhit wat olie in een soeppan, doe de groente met wat zout erin en laat even stoven. Doe dan de bouillon er bij, en laat trekken tot de groente gaar is. Breng op smaak met zout en evt. peper. 

Ook lekker: fijngesneden knolvenkel erdoor (vooral wanneer je kookt voor iemand met een verse baby), peterselie (doe dan de steeltjes bij de bouillon), of een handvol maiskorrels. 

Spaghetti alla Carbonara met knolselderij

Een koolhydratenbommetje. Zacht, romig, troostrijk: pasta, ei, kaas, spekjes. En ook nog snel klaar. Mijn twist: ik voeg knolselderij toe aan de spekjes. Deze versie is met room – ik heb vandaag maling aan purisme. En de room maakt de carbonara zachter in je mond. Met alleen ei kan het wat stroef aanvoelen soms, de room neemt dat weg. 

spaghetti_carbonara
Foto via wikipedia, door Popo le Chien – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=52325651

Wat gaat er in:

  • spaghetti. Ik doe ongeveer 300 gram voor 2 volwassenen en 2 kinderen. 
  • knolselderij, flinke handvol, in kleine blokjes
  • teen knoflook, fijngehakt
  • spekjes, ongeveer een onsje
  • 2 eieren
  • scheut slagroom 
  • handje geraspte oude of overjarige kaas (ik gebruik meestal een lokale koeie- of schapekaas, liever dan parmezaan of pecorino uit Italië).

Hoe maak je het:

  1. Doe de spekjes in een pan, en laat ze even bakken tot ze niet meer helemaal rauw zijn. Voeg dan de knolselderij en knoflook toe en zet de pit laag. 
  2. Kluts de eieren, meng de kaas er door.
  3. Voeg wanneer de knolselderij bijna gaar is de room toe, en laat die op een zacht vuurtje een tikje inkoken. 
  4. Kook de pasta beetgaar. 
  5. Haal de pan met het spekjes-knolselderij mengsel van het vuur en laat iets afkoelen (maar niet te veel). 
  6. Giet de pasta af, en schep zo snel mogelijk de warme pasta door de spekjes en selderij. Voeg het eier-kaas mengsel toe. Roeren, en niet meer verhitten, dan stolt het ei – de bedoeling is dat je een zachte saus krijgt, geen roerei. Bestrooi met royaal zwarte peper, en eet meteen op. Vooruit, met een groene salade voor de balans.

browniesTroostbrownies

Dat recept schreef ik vier jaar geleden al eens op. Misschien maak ik er wel vla bij. 

 

Meer troostrecepten

Antoinette van de fantastische site Italiaans koken met Antoinette plaatste vanochtend een heerlijk recept voor gnocchi uit de oven met mozarella en tomaten. Lasagne is ook fijn, of pompoensoep. Pompoen sowieso: risotto met pompoen bijvoorbeeld. Groentesoep zoals oma die maakte. Of misschien laat jij je troosten door stamppot, met de laatste andijvie of de eerste boerenkool van het jaar.

Nou ja. Ik zou graag afsluiten met iets fijns, iets troostrijks, iets hoopvols. Maar ik heb even niks. Ik ga zo mijn kinderen een knuffel geven, koken met een mooi muziekje erbij, op zoek naar de positiviteit. Omdat dat altijd beter is dan angst. 

Liefs,

Anouk 

So nice being green: pannenkoekjes met snijbiet en tuinmelde

Deze komt hoog op mijn lijst van mafste minder voor de hand liggende gerechten. Groene pannenkoekjes met regenboogsnijbiet en tuinmelde, met als toppings een nepkimchi van spitskool, een per-ongeluk-stoofje van savooiekool, berglinzen & dadels, en grove houmous. Ik maakte dit afgelopen zondag op de open dag van Zelfoogsttuin De Nieuwe Akker in Schalkhaar, en ondanks de maffe naam vond iedereen het lekker. Dus zoals beloofd: bij deze de recepten.

Klik hier om direct door te gaan naar de recepten. 

Maar eerst even over De Nieuwe Akker. Het is een prachtig plekje, op het platteland bij Deventer. Een zelfoogsttuin: je kunt een oogstaandeel nemen, en dan wekelijks zelf je verse groente komen oogsten. En wat voor groenten! Vers en levend, onbespoten, tintelend van smaak. Het is een CSA-tuin, wat staat voor Community Supported Agriculture. Dat is een vorm van landbouw waarbij de boer en de deelnemer geen verkoper & klant zijn, maar daadwerkelijk een relatie aangaan. Het risico delen, samen plannen maken. Het is een prachtige manier om bewuster bezig te zijn met je eten zonder dat je nou per se zelf een moestuin aanlegt. Woon je in de buurt, dan zou ik zeggen: ga eens kijken! En voor iedereen die niet in de buurt woont: ik hoorde via Twitter dat er iemand bezig is met het aanleggen van een lijst van alle CSA-initiatieven in Nederland. Als die lijst gepubliceerd is zal ik hier een linkje neerzetten. Voor Vlaanderen vind je hier een overzicht.

Ik zag trouwens ook heel veel kinderen gisteren op de open dag. Kinderen die wéten dat wortels niet aan bomen groeien maar in de grond. Kinderen die vol enthousiasme aardbeien en aalbessen gingen plukken, of sprinkhanen vangen. En die niet alleen pannenkoekjes met tuinmelde durfden te proeven, maar zelfs terugkwamen voor een tweede portie. Ha! In deze weken van oproer over voedselonderwijs is dat wel een eyeopener. Die kinderen moeten gewoon hun lokaal uit, lekker de tuin in! 

Kijk, een sprinkhaan!

Tuinmelde? Regenboogsnijbiet? Wasda? 

Ook zo leuk aan zo’n tuin is dat je nog eens andere groentes leert kennen. Snijbiet is een bladgroente, letterlijk het blad van de bekende rode bietjes. Behalve dan dat het zaad niet veredeld is op het maken van smaakvolle knollen, maar op groot mals blad en flinke, prachtig gekleurde stelen. In Nederland geldt snijbiet als “vergeten groente”, maar in andere landen is het een vrij gangbaar product. In Italië heet het bietola, in Engeland chard, in Frankrijk blette. In veel recepten worden de stelen en het blad apart bereid, maar dat hoeft niet. Kort door de bocht kun je zeggen dat je het kunt gebruiken als spinazie: uitje-knoflookje fruiten, snijbiet met aanhangend spoelwater even aanstoven, beetje zout erbij, of misschien een ansjovisje en wat chilivlokken. In veel gerechten is het lekker als je het afmaakt met een drupje citroensap of goeie azijn. 

Ook tuinmelde is een oude bladgroente in prachtige kleuren. Hij komt in rood, groen, en een bijna fluoriserend geel-groen waar ik helemaal verliefd op werd. Hij smaakt mild, heeft zacht, vrij kwetsbaar blad dat je zo vers mogelijk moet eten. (En even een botanisch uitstapje: ik heb gisteren lopen vertellen dat melde een plant uit de ganzenvoetfamilie is, net als spinazie, maar dat klopt niet. Wikipedia leert me dat de ganzenvoeten en de meldes twee verschillende geslachten zijn uit de amarantenfamilie. Oeps. Bijna goed, maar net niet. Excuus.) 

IMG_8921

Genoeg gekletst! Recepten!

Groene pannenkoekjes

Wat gaat er in?

  • Pannenkoekenbeslag. Dat hoef ik niet uit te leggen denk ik? Mijn eigen beslag is elke keer weer anders, afhankelijk wat ik in huis heb. Ik gebruik verschillende soorten meel (rogge, boekweit, haver) in combinatie met tarwe- of speltbloem. Soms gaat er havermout door, of lijnzaad. Peulvruchten- of kastanjemeel, of zelfs gemalen noten. Allemaal lekker. Je beslag mengen met pompoen-, bietjes- of wortelpuree is overigens ook een traktatie, maar meer iets voor de winter. 
  • Handjevol snijbiet en tuinmelde. Of spinazie, of andere groene blaadjes. 

Hoe maak je het?

  1. Was de blaadjes en maak ze droog. Snij de blaadjes in heel kleine stukjes en schep door je beslag. Wanneer je uitsluitend groen blad hebt kun je kunt ze ook grof gesneden bij je beslag doen en dan de staafmixer erdoor halen, dan krijg je egaal groene pannenkoekjes. Bij regenboogsnijbiet kun je dat beter niet doen, die mooi gekleurde stelen geven wanneer je ze pureert een bruine derrie, want groen-met-rood. 
  2. Bak pannenkoekjes. 

IMG_8928

Stoof van savooiekool, linzen en dadels

Ik zou dus gevulde koolrolletjes maken voor de open dag, maar dat bleek heel veel werk. Heeel veeel werk. Toen werd het een stoofje. Als je je verveelt kun je ook vulling maken van alle ingrediënten behalve de kool en de tomaat, en dan de vulling in geblancheerde koolbladeren wikkelen, en de rolletjes stoven in de tomaat. 

Wat gaat er in?

  • ui, gesnipperd
  • knoflook. Fijngehakt of geperst. 
  • komijnzaadjes
  • droge linzen, het soort dat niet voorgeweekt hoeft en dat heel blijft wanneer je ze kookt. Bruine, zwarte, groene, puy, of berglinzen: allemaal goed. 
  • savooiekool, buitenste bladeren verwijderd 
  • schep gekookte zilvervliesrijst (kliekje) 
  • kurkuma
  • kaneel
  • dadels, fijngehakt
  • blik tomatenblokjes, of passata (gepureerde tomaten)

Hoeveelheden: zoals altijd naar eigen inzicht. Jij weet hoeveel jouw huishouden eet, ik niet. En het luistert allemaal niet zo nauw bij dit soort gerechten. 

Hoe maak je het?

  1. Als je koolrolletjes wilt maken: blancheer de koolbladeren door de kool in zijn geheel in kokend water te leggen en iedere keer de gare, buitenste bladeren er af te halen. Voor de stoof: snij kool in stukjes. 
  2. Fruit de ui tot hij zacht is
  3. Voeg de knoflook en de komijn toe, bak even mee
  4. Voeg de linzen toe en een scheut water of bouillon. Kook de linzen zo goed als gaar. Hou de pan in de gaten en voeg indien nodig vocht toe, maar maak er geen soep van. 
  5. Voeg de kool, kaneel, kurkuma en dadels toe. Laat stoven tot de kool gaar & de linzen gaar zijn.
  6. Voeg de tomaat en de rijst toe en warm alles door. De tomaat dient om de ingrediënten bij elkaar te brengen, het moet geen saus worden maar wel een samenhangend geheel. 
  7. Proef, breng op smaak met zout en peper, eventueel wat extra kaneel. 

Gebruik de stoof warm of koud als topping op de pannenkoekjes. Of eet ‘m zo. En bewaar kliekjes voor lunch de volgende dag. 

Nepkimchi 

Kimchi is een spicy Koreaanse zuurkool, en heeft net als de Europese zuurkool tijd nodig om te rijpen. Dit gerecht (gebaseerd op een recept uit De dikke vegetariër) is daarom geen echte kimchi, meer een pittige koolsalade – maar wel erg lekker. 

Wat gaat er in?

  • spits- of andere kool
  • 5% pekel: 50 gram zout opgelost in een liter water, afgekoeld naar kamertemperatuur
  • een stuk of wat knoflooktenen, geplet en grof gehakt
  • een stuk verse gember, geschild en in stukjes gesneden
  • één of meer rode pepers, kleingesneden
  • sojasaus (ik gebruik tamari)
  • evt. een beetje (kokosbloesem)suiker

Hoe maak je het?

  1. Trek de bladeren van de kool en doe ze in de pekel. Laat een paar uur tot een nacht staan. 
  2. Spoel de kool goed af, zet eventueel een tijdje in een kom met schoon water. Herhaal tot hij niet meer te zout smaakt. 
  3. Stamp de knoflook en de gember (evt. met een beetje suiker) in een vijzel tot een gladde pasta. 
  4. Roer de sojasaus door de gember-knoflookpasta, en schep de saus en de pepers door de kool. 
  5. Laat de smaken minimaal een uur intrekken. 

De salade is volgens Mark Bittman nog een week goed in de koelkast. 

Radijsjes: meer dan snoepgroente

In mijn tuin zijn het nog mini-kiemplantjes, maar uit de (koude) kas zijn ze er al weer: radijsjes. Na worteltjes mijn favoriete snackgroente. Ik maak ze schoon, zet ze in een bak water in de koelkast, en opeens… zijn ze op. Oeps. Tijd voor een nieuwe bos. Voor in het eten. 

radijsjes

Net als de raapsteeltjes waar ik laatst over schreef komt de radijs uit de kruisbloemigenfamilie, de BrassicaceaeDie plantenfamilie omvat ook alle kolen en mosterdachtigen, en is herkenbaar aan de in een kruisje tegenover elkaar staande bloemblaadjes. Daarnaast is de pittige mosterdsmaak een duidelijk signaal. 

Niet alleen de knolletjes, de radijsjes zelf, zijn eetbaar, maar ook het blad en – als ze uit je eigen tuin komen – ook de bloemetjes en bloemknopjes. Maar wat kun je er mee, behalve ze uit de koelkast snoepen?

Snoepen op stand

Combineer radijsjes op een mooi bordje met andere rauwe groenten (worteltjes, bleekselderij, komkommer, bloemkool, paksoi-stengels), lekker brood, een goede olijfolie en wat zout. Heel veel meer heeft een mens niet nodig – hoewel, een schaaltje aioli of een lik auberginedip is er ook wel erg lekker bij – om nog maar te zwijgen van een stukje droge worst. (Ik ben de laatste tijd een beetje verliefd op die van Brand&Levie.)

Salades

Radijs geeft natuurlijk ook een lekker pittig accent aan je salades. Deze vind ik leuk: van Chicks love food met asperges en spelt. Of combineer de radijs met komkommer, spinazie en ras el hanout: een recept van Francesca Kookt. En ik maakte ook al eens deze salade, uit Plenty van Yotam Ottolenghi: met avocado, quinoa en tuinbonen wel goed voor extra hipsterpunten, maar desondanks erg lekker. 

Alleen… tsja. Het zijn leuke recepten, maar met komkommer, asperges, avocado & quinoa heeft het weinig meer te maken met seizoensgroenten en lokaal eten. En daar ging het in deze serie blogjes wel om. Dus. Gooi je radijsjes maar in een salade van wat er nog in de koelkast ligt. Hier lees je mijn tien tips voor een supersalade. 

salade radijsjes venkel peterselie

Asian style

Radijs kan ook heel goed in oosterse gerechten. In een bahn mi bijvoorbeeld, een Vietnamees gevuld broodje. De Groene meisjes bedachten een sushi bowl met onder andere radijsjes, zeewiersalade, (alweer) avocado en norivellen. Nice!  Ik maakte ook al eens deze noedelsalade van Jamie Oliver (waarbij je je niet moet laten imponeren door de waslijst aan ingrediënten, en ik laat zelf het vlees weg of halveer de hoeveelheid). 

Gestoofde radijs met zeekraal – of met prei

Een van de spannendste radijsrecepten die ik vond was (zoals wel vaker) van de Britse kok Yotam Ottolenghi: in boter gebakken radijs met zeekraal, nieuwe aardappeltjes en dragon. Zeekraal is een “zilte groente”, die als bijzondere eigenschap hebben dat ze zich thuis voelen in een zoutrijke bodem. Het wordt gekweekt door Texelaar Marc van Rijsselberghe – die heel toevallig vroeger regelmatig aan de keukentafel in mijn ouderlijk huis zat. Zijn zilte groente en dito aardappels zijn zeer de moeite waard, en te koop op Texel en via (de webwinkel van) de Ekoplaza. Vanaf mei is er weer zeekraal, dan zal ik dit recept zeker eens uitproberen. En als je zilte groente net zo spannend vindt als ik, hou dan vooral Zilt kombuis op Texel in de gaten. Sharon doet spectaculaire dingen met ijskruid, lamsoor en zeekool! 

Maar radijsjes in boter kunnen natuurlijk ook zonder zeekraal. Ik stoofde ze samen met prei, maakte het geheel af met een drupje citroensap, en at ze met couscous, kip en een slaatje. Dat bleek voor herhaling vatbaar: gestoofde radijsjes zijn hun scherpte kwijt, hebben nog steeds wat crunch, en smaken uitgesproken aards. Wij vonden ze lekker! 

radijsjes

Kimchi of pickles

Hoe kan ik het vergeten. Radijsjes kunnen natuurlijk in de kimchi: een gefermenteerd Koreaans gerecht van Chinese kool, knoflook, scherpe pepers en gember. Aangevuld met groente naar keuze, maar traditioneel gaat er rammanas of daikon in: de grote broers van onze radijsjes. Het is erg hip, dat fermenteren, en hartstikke leuk ook. Qua smaak is zelfgemaakte zuurkool onovertroffen. En het is ook nog eens gezond: de bacteriën erin zijn schijnbaar helemaal super voor je darmflora. Plus: het is een traditionele conserveringsmethode, waar verder geen fossiele brandstof of ingewikkelde hulpmiddelen aan te pas komen. Mijn oma maakte nog zelf zuurkool, en het voorkwam scheurbuik bij zeelieden in de Gouden Eeuw. Helemaal in mijn straatje allemaal, dus ik volgde zelf een workshop bij de Groene Kookacademie. Gezellig, leerzaam en inspirerend, echt – niets dan lof. Ik weet nu hoe het moet. Het enige is, ik merk dat ik het zelf erg lastig vind om fermenten echt in m’n eetpatroon op te nemen. Ik heb heerlijke kimchi gemaakt, en superzuurkool… maar het komt gewoon niet op tijd op, waardoor het alsnog op de composthoop belandt. Tsja. Beetje jammer.

fermenten

Wat wél werkt in mijn huishouden zijn quick pickles, op basis van azijn. Water, azijn, suiker, zout, specerijen, groente. Na een nachtje in de koelkast heb je superlekker tafelzuur dat ook nog eens wekenlang houdbaar is. Niet probiotisch, met suiker, stukken minder verantwoord allemaal dus: maar we eten het wél op. En dat geeft dan toch de doorslag. Vooruit, ik doe het recept erbij, hier is de PDF: recepten quick pickles. Geen recept met radijsjes overigens, maar die kunnen er dus ook goed in. 

Heb jij verrassende recepten met radijsjes? Of fermentatieverhalen? Vertel het me in de comments! 

10 tips voor een supersalade

Een tweede artikeltje in de nieuwe serie koken met concepten. Hoera! Over salade deze keer. Dat kwam zo: ik was een stukje over radijsjes aan het schrijven dat ontaarde in een verhaaltje over salade in-het-algemeen. Dus daarom: het concept salade – met 10 tips voor een supersalade.

Het concept salade: groente, vulling, dressing, versiering

10 tips supersalade

Salade begint natuurlijk met groente. De meeste mensen denken bij sla vooral aan groene blaadjes, maar laat dan die ijsbergsla lekker liggen en kies groen spul dat ergens naar smaakt. Gemengde sla uit de winkel is helemaal niet onaardig – maar het kan interessanter, en vooral stukken verser. 

Alle soorten eetbaar groen kunnen in je salade. Kropsla, veldsla, spinazie, raapsteeltjes, postelein, andijvie, rucola, zuring, blaadjes van Oost-Indische kers,  snijbiet, alle soorten tuinkruiden. Zaai groene blaadjes in je tuin, in een pot naast de achterdeur of desnoods in je vensterbank. (Tip: kwekerij De nieuwe tuin verkoopt hele leuke sla-mengsels voor ieder seizoen.) En voor mensen zonder groene vingers en mét een beetje tuin: een hoop soorten “onkruid” kunnen ook in de sla. In mijn eigen stadstuin pluk ik onder meer paardenbloemblad, hondsdraf, muur, knopkruid, veldkers en melde. Jonge blaadjes van de linde. Sla die je niet eens hoeft te zaaien. What’s not to love.  

Tip 1. Zaai groene blaadjes in je tuin, of in een pot naast de achterdeur – en leer wat er verder eetbaar is in je tuin

IMG_2688-0.JPG

Een salade met natte groene blaadjes wordt niks. Gewassen bladgroente maak je droog met een theedoek, of – sneller en beter – in een saladecentrifuge. Ik heb er één van de kringloop, was twee euro, in jaren-70-knaloranje. Tupperware, dus onverslijtbaar. Topding. 

Tip 2. Maak je ingrediënten droog 

Maar er kan natuurlijk veel meer aan groente in je salade. Naast de usual suspects (tomaat, komkommer, radijs) zijn er allerlei soorten groenten die je normaal kookt of bakt die heel goed rauw in je salade kunnen. Bloemkool & broccoli in miniroosjes. Biet, koolrabi, wortel, prei of asperges in flinterdunne plakjes. Fijngesneden kool (mits je rauwe kool kunt verteren natuurlijk) – en dat kan ook met spruitjes. 

Maak een rondje door je groentela. Alles wat er nog een beetje aanlokkelijk uitziet kan rauw in je sla: bijna alle groenten kunnen rauw worden gegeten. Voor zover ik weet zijn de grote uitzonderingen boontjes (want bevatten lecitine), groene delen van aardappels (bevatten de giftige stof solanine, en lijken me sowieso niet zo lekker…) en mogelijk aubergine en champignons en andere paddenstoelen (maar daar zijn de meningen over verdeeld). Enne… neem zoiets nooit uit één bron aan, ook niet als ik dat ben: bij twijfel Google raadplegen of gewoon niet doen.

Tip 3. Bijna alle groenten zijn rauw lekker

Maar rauw hoeft natuurlijk niet. Een enkel spruitje snij je zo in plakjes, maar een salade met een handvol bloemkool is lekkerder als die bloemkool even geroerbakt of gestoomd wordt. Ik vind het lekker om verschillende rauwe ingrediënten te combineren met een enkel warm of gaar ingrediënt: in de salades op de foto’s zit van links naar rechts geroerbakte bloemkool met specerijen, gestoomde peultjes en gebakken aubergine. 

sla met spicy bloemkool en zoetzure uien IMG_3529 d3-lunch salade aubergine

 

 

 


Tip 4: Maar gaar kan ook

Waar het om gaat is dat je groentes combineert die een verschillende textuur, een verschillende mondgevoel, hebben. Zacht, hard, knapperig, smeuig – enzovoorts. Rauw, net uit de pan – of eerder bereid. Kliekjes zijn super in de sla: een handvol gestoomde boontjes, drie overgebleven stronkjes broccoli, wat overgeschoten in de oven gebakken pastinaak, pompoen of (in de zomer) courgette en aubergine: ideaal in de lunchsalade. 

bietjes met lentegroen

Tip 5: Varieer in mondgevoel

Over kliekjes gesproken: restjes gekookte granen, peulvruchten, vlees of vis zijn ideaal als vulling in je salade. Want sla heeft behalve groente vulling nodig, anders heb je na een uur alweer trek. Ik wel tenminste. Als je geen kliekjes hebt kunnen bonen uit blik ook (kikkererwten!). Of noedels, gerookte makreel, een half blikje sardines (goed voor je vetzuren!), een gekookt ei, een in reepjes gesneden omelet, of een handvol nootjes.

Tip 6: Zorg voor vulling

Groente, vulling… tijd voor dressing. To dress is aankleden in het Engels, en dat is precies de juiste omschrijving. Zonder dressing is een salade naakt.

Je kunt natuurlijk vinaigrette van recept maken (deze bijvoorbeeld, of deze), maar vaste lezers zal het niet verbazen dat ik meer van de grote lijnen ben.

  1. Doe een plens lekkere olie in een kom
  2. Doe er een beetje azijn of citroensap bij 
  3. En zout (niet te zuinig)
  4. Voeg – afhankelijk van je humeur en de ingrediënten van je salade – smaakmakers toe: peper, mosterd, honing, fijngehakte kappertjes of peterselie – whatever. Experimenteer.
  5. Klop, proef, pas aan. 
  6. Doe je salade in een grote kom en schep de vinaigrette er door. Niet te weinig, je moet het wel proeven. Maar ook niet zoveel dat je salade een natte kledderbende wordt.  

Dressing kan trouwens ook een bestaande saus of dip zijn. Knoflooksaus over? Humus? Baba ganoush? Pesto? Tahinsaus? Guacamole? Tapenade? Niet moeilijk doen, is allemaal lekker – mik het door je salade. Desnoods aangevuld met wat extra olie of een schep yoghurt. Klaar. Maar, eh… nooit sladressing uit een fles hé? Da’s namelijk niet zo lekker (want gezouten suikerwater met bindmiddelen en smaakstoffen). Daar zijn we het vast over eens. 

IMG_4426

Tip 7: Kleed je salade aan 

En als de dressing dan het jurkje van je salade is, dan maak je ‘m natuurlijk af met een bloemetje in het haar. Want het oog wil ook wat. Ik <3 eetbare bloemen, maar het gaat vooral – alweer – om contrasten. Kleurverschil in je ingrediënten maakt je salade interessanter. Een salade van (groene) spinazie met (groene) tuinbonen en (groene) asperges oogt stukken leuker als je die combineert met radijsjes, eikenbladsla, worteltjes en/of bietjes. Of fruit: stukjes sinaasappel, aardbeien… nou ja, je snapt het. 

IMG_5020

Tip 8 Breng kleur op je bord

Naast kleur is versiering ook crunch. Geluidsversiering 😉 De laatste jaren is de voorraad zaden en pitten in mijn keukenkast flink gegroeid: naast de zonnebloemzaadjes en pompoenpitjes heb ik meestal ook hennep-, chia-, lijn-, sesam-  en/of  nigellazaadjes in huis. Doe een schepje door je salade voor het geluidseffect. Dat kan gewoon zo, of je verwerkt ze tot hartige granola of (mijn huidige verslaving) dukkah: een Egyptisch specerijennotenmengsel. Nomnomnom…  

Ook lekker qua crunch, en een fijn staaltje restverwerking: croutons van oud brood

Tip 9: Voeg crunch toe

En tot slot: doe niet alles tegelijk. Keep it simple. Een maaltijdsalade heeft wat body nodig, maar als je sla maakt als bijgerecht zijn drie ingrediënten, wat pitjes en een dressing al helemaal prima. 

salade radijsjes venkel peterselie

Op de foto: mijn sla van gisteravond, voor naast de wortelstamp: in reepjes gesneden venkel, plakjes radijs en grof gehakte peterselie. Met sesamzaadjes en wat van de yoghurt-mayo-dip die de kleuter moest verleiden haar bord leeg te eten. Vijf ingrediënten, twee minuten werk. Easy peasy. 

Tip 10: keep it simple

Ik vind het leuk als mijn lezers terugpraten! Daarom een vraag: wat is jouw favoriete salade-ingrediënt?