Posteleinsoep

Ik hou van supersimpele gerechten, van experimenten die goed uitpakken en van eten niet hoeven weggooien. Deze posteleinsoep was daarmee driedubbel bingo, ik werd er helemaal blij van. 

Het kwam zo: ik had laatst postelein over. Nogal veel postelein. Die was een nacht op het aanrecht blijven staan, omdat ik dacht: het is zoveel, dat gaan we nevernooitniet opeten, dus het moet maar op de composthoop. Snif. Want je kunt van alles met postelein, maar lang houdbaar is hij niet… En toen was daar de volgende dag die vlaag van inspiratie: posteleinsoep. Ik ben meestal geen fan van soep van  groene blaadjes – niet dat het niet lekker is, maar ik eet ze liever rauw. Zeker in dit hoera-er-is-weer-verse-sla-seizoen. 

Winterpostelein, foto via bezorgservice goudenpompoen.nl

Maar onder het motto ‘beter opeten dan weggooien’ maakte ik de volgende dag dus maar soep van mijn bergje postelein. Met enige twijfel, want ze waren niet frisser geworden van die nacht op het aanrecht. 

Overigens: kleur is een dingetje bij postelein. Zoals je op de foto ziet heeft postelein vaak wat rood-bruine blaadjes. Google kan me niet vertellen hoe het komt (misschien zijn er meelezende tuinders of moestuiniers die me dat kunnen uitleggen?) maar de grap is dat die blaadjes precies zo smaken als hun heldergroene broertjes en zusjes. Ze zijn niet verlept of zo, het is gewoon een kleurverschil. In salade vind ik het net wat minder mooi, maar in soep zie je er blijkbaar niks van terug. Die is ook zonder instagramfilter knalgroen. 

Recept posteleinsoep

Nodig: een teen knof, een ui, een aardappeltje, een paar flinke handen vol postelein, een ruime pond voor 3 koppen soep. Eventueel wat bouillonpoeder*. Water, peper, zout. Een lenteuitje voor het mooi. 

Doen: Hak de knof fijn, snipper de ui, en snij het aardappeltje in kleine blokjes. Fruit alles met wat olijfolie en een snuf zout in een pan met dikke bodem tot de ui zacht is en de aardappel gaar. Was ondertussen de aanhangende aarde uit de postelein. Minimaal twee, meestal drie keer spoelen.  

Verwarm wat water in een pannetje of waterkoker (voor drie koppen soep: pakweg 600 ml.). Doe de postelein handje voor handje in de pan en laat ‘m slinken. Dit is even zoeken: je wilt de postelein niet tot snot koken, maar hij moet wel gaar worden. Wanneer alle postelein geslonken is doe je heet of kokend water erbij, en eventueel wat bouilllonpoeder. Pureer de soep met een staafmixer en breng op smaak met zout en peper. Serveer meteen, versierd met wat ringetjes lenteui. 

Je zou er wat room, crème fraîche of yoghurt door kunnen doen, maar ik vind het niet nodig: hij smaakt zo puur helemaal naar lente. Plus: hij is geschikt voor de veganchallenge – ook fijn. (Ik doe zelf nu niet mee overigens, maar als je creatiever plantaardig wilt leren koken is het zonder meer een aanrader. Ook als je niet meteen fulltime veganist wilt worden.) 


* Nog even over bouillonpoeder. Ik zou in dit recept geen bouillon van een blokje gebruiken, de hartigheid daarvan overheerst de frisheid van de postelein. Zelf gebruik ik een mix van gedroogde kruiden waar verder geen zout of andere toevoegingen in zitten, o.a. op verschillende biologische markten te koop bij Spices and more. Je zou ook wat fijngesneden selderijblad of lavas kunnen gebruiken in dit recept. 

Ossobucko – of knolselderij alla Milanese

Pas toen dit gerecht op mijn bord lag realiseerde ik me dat het een soort nep-ossobuco was. Gaargestoofde plakken in pittige tomatensaus, met romige risotto. Maar dan met knolselderij in plaats van kalfsschenkels. Denkend aan het gehackt en de kipstuckjes van de Vegetarische Slager heb ik deze combi dan maar ossobucko gedoopt.

Wat gaat er in?

Voor de ossobucko:

  • een halve knolselderij
  • passata (zelfgemaakt, of uit de winkel. Tomaten uit blik kan ook.)
  • een ui, fijngehakt
  • een wortel, in kleine blokjes
  • 1-2 tenen knoflook, geplet en fijngehakt
  • chilipoeder, of een pepertje

Voor de risotto:

  • rondkorrelige rijst (carnaroli  of arborio), pakweg 50 gr. per volwassene. Dat lijkt weinig, maar is echt genoeg tenzij je de hele dag aardappels hebt gerooid of zo. Risotto is machtig. 
  • bouillon
  • evt. witte wijn
  • spinazie (diepvries of vers) 
  • olijfolie
  • pittige overjarige kaas, geraspt

In echte risotto alla Milanese hoort overigens saffraan. Die laat ik uit budgettaire overwegingen meestal weg, en ik mis ‘m niet. 

Hoe maak je het? 

  1. Maak de knolselderij schoon, en snij in repen, blokjes of plakken. Doe een scheut olijfolie in een pan met dikke bodem, en bak de knolselderij even aan op middelhoog vuur.
  2. Doe de ui, wortel en knof erbij en zet het pitje laag. Laat een paar minuutjes fruiten. 
  3. Doe dan de passata erbij, chilipoeder, wat zout en peper, en stoof tot de knolselderij zacht en gaar is (maar niet te). 
  4. Maak ondertussen risotto. Als de risotto zo goed als gaar is schep je de spinazie erdoor. Als de blokjes ontdooid zijn (of de verse spinazie geslonken) roer je de kaas er door. Breng op smaak met zout en peper. 
  5. Proef de tomatensaus en breng op smaak. Hij moet licht pittig zijn, vol van smaak, en een tikje zoet. 

Oh ja, echte ossobuco maak je zo.  Die is met gremolata, een strooisel van knoflook, citroenschil en peterselie. Dat zou hier ook goed bij passen (hoewel ik wat twijfels heb over de citroen). Minimaal de peterselie voor het mooi. Als ik er aan toe kom zal ik eens een keer een betere foto maken. 

 

Stamppot voor als de knollen op moeten

Een supersimpel receptje dat helemaal past bij deze tijd van het jaar: knollenstamp. Toegegeven, het klinkt niet per se uitnodigend, maar het is erg lekker. En nog mooi ook. Grote plus: hiermee maak je in één klap al die overgebleven knollen op. Een paar verkreukelde bietjes, dat stuk knolselderij wat écht niet meer in de salade kan, en zo’n koolraap die je al iets te lang verwijtend aankijkt vanuit de groentela. Hop, alles in de stamppot! 

Nodig

Met neme: een min of meer willekeurige verzameling wortel- en knolgroenten. Pastinaak, wortels, aardpeer, knolselderij, koolraap – mag allemaal. En als je roze stamppot wilt: minimaal 1 bietje per 2 personen. Meer kan ook, dan wordt ‘ie prachtig donkerroze.

Hoeveel? Het Voedingscentrum doet in stamppotrecepten pakweg 500 gram wortelgroente per persoon. Dat lijkt me wat veel, tenzij je er verder niks bij eet of de hele dag klinkers hebt gesjouwd. Maar goed: jij weet hoeveel je tafelgenoten zo ongeveer eten. En als er overblijft kun je natuurlijk weer soep maken met de restjes. 

Hoe maak je het? 

Maak de wortels en knollen schoon. Zet op met niet te veel gezouten koud water, en kook tot alle groenten gaar* zijn.  Giet af, en vang het kookwater op. Doe een scheut kookwater bij de groenten, en stamp de groenten zo grof of fijn als je zelf lekker vindt. Als je geen aardappels hebt meegekookt kun je ook de staafmixer gebruiken (op een lage stand) om de stamppot wat gladder te krijgen.  Maak af met boter en evt. nog wat zout en peper. 

* Uiteraard hebben niet alle knolgroenten dezelfde kooktijd: wortel en koolraap hebben langer nodig dan pastinaak en aardpeer. Als je dus alles tegelijk opzet is de pastinaak op het randje van uit-elkaar-vallend-zacht terwijl de wortel net gaar is. Als je dat erg vindt kun je eerst de knollen die langer nodig hebben aan de kook brengen en na een paar minuten de andere toevoegen. Ik vind het zelf uiteindelijk niet bijster veel verschil uitmaken, zeker omdat het kookvocht ook de stamppot ingaat.

Dat maakt trouwens wél verschil, het gebruiken van dat kookvocht. Het is nogal zonde om dat door de gootsteen te spoelen: het zit namelijk boordevol met vitamines en smaakstoffen. Daarom gebruik ik kookvocht in plaats van de traditionele scheut melk. 

Eten met?

Ik at ‘m laatst met gegrilde prei, linzenkoekjes en een sausje van knoflook, fijngehakte walnoten en yoghurt. En eerder met bladkool en kaasburgertjes. Maar ouderwets met een bal gehakt kan ook prima – iets van bladgroente erbij of erdoor is wel lekker. (Knollenstamp met rauwe winterpostelein! En over een maandje met raapsteeltjes. Of, doe eens gek: molsla! Nomnomnom!) 

Soep van de restjes

Niet alles opgegeten? Leng het restant stamppot aan met het bewaarde kookwater. Breng op smaak: compenseer een teveel aan zoet met een beetje zuur: een pietsje citroensap of een schep yoghurt. 

Gegrilde prei met panir – recept

Een excuus aan de volgers van de “Lekker van het land“-recepten is op zijn plaats: ik heb al in geen maanden recepten geschreven in deze serie. Sorry! Andere prioriteiten, zoals dat gaat. Maar ik heb een paar radicale keuzes gemaakt, en heb – hoop ik – de komende tijd weer meer tijd om te schrijven. Want inspiratie genoeg! 

Ik schreef vorig jaar rond deze tijd al eens over prei, hoe onderschat het is als groente op zichzelf. Zo jammer, prei is heerlijk! Daarom trappen we deze doorstart af met een lekker, snel en simpel preireceptje met panir. 

Wat is panir?

Panir (of paneer, beide vormen zijn goed) komt oorspronkelijk uit India. Het wordt gemaakt van met zuur gestremde melk, en is dus helemaal vegetarisch. Het is erg veelzijdig: het laat zich uitstekend marineren, is lekker in vega-spiesjes voor op de barbecue, in Indiase curries en andere stoofjes, en bakt in blokjes of plakjes prachtig krokant (vegetarische spekjes anyone?). En het is vreselijk lekker als je het grilt met allerlei soorten groente. Omdat panir op zichzelf vrij neutraal smaakt mag je royaal zijn met kruiden en zout. Te koop bij biologische supermarkten en boerderijwinkels, en dan komt het vaak uit de kaasmakerij van Kleinlangevelsloo uit Raalte. (Die trouwens in januari voor de tweede keer biologische boerderijwinkel van het jaar werden, hoera!

Nodig: 

  • 1 prei per persoon
  • beetje boter
  • wat reepjes panir. Verkruimelde feta, zachte geitenkaas of halloumi kan ook. 

Hoe maak je het?

  1. Maak de prei schoon. Ik vind het leuk om ‘m in lange repen te laten, door de prei in kwarten te snijden, maar als je op de automatische piloot ringen hebt gesneden gaat dat ook prima. 
  2. Stoof de prei met aanhangend water in wat boter beetgaar, dat duurt niet langer dan een paar minuten. Breng op smaak met zout en wat peper. Afhankelijk van wat je er verder bij eet kan het lekker zijn om er een paar drupjes citroensap bij te doen. 
  3. Doe de prei in een ovenschaal, verdeel de plakjes panir erover en grill tot de panir goudbruine randjes krijgt (pakweg 10 minuten). 

Lekker bij stamppot met wortels (zeg maar hutspot zonder de ui), of met gekookte aardappeltjes en salade. Of je legt de beetgare prei op een bladerdeegbodem, dan heb je een taartje. 

 

Waxy wattes? Even over chocoladevla. Met recept!

Stadsgenoot Gouden Pompoen bezorgservice schreef in zijn nieuwsbrief deze week over chocoladevla. Blijkbaar zit daar een niet-biologisch ingrediënt in: “waxy maiszetmeel” – volgens Wikipedia een goedje dat “bij het bewaren minder last heeft van opdikken”. Wat dat dan ook mag betekenen. Verder zit er (naast melk, suiker, cacao en “gewone” maïszetmeel) ook nog carageen in de vla, een bindmiddel. En zout. Zout? In de vla? 

Is dat erg, vla maken met drie verschillende bindmiddelen en zout? Ik zou het je niet kunnen zeggen. Wat ik wel weet: het kan ook anders. Vla is namelijk hartstikke simpel zelf te maken. (Tekst gaat verder onder het plaatje.)

Wat is vla? 

Vla is gebonden melk, met een smaakje. Er gaat dus melk in, iets om te binden, een smaakmaker, en meestal ook iets van zoet. Stappenplan:

  • melk verwarmen
  • bindmiddel erbij wanneer de melk tegen de kook aan zit
  • al kloppend doorwarmen tot de melk dikker wordt
  • smaakmaker erbij, en naar smaak zoeten
  • laten afkoelen

That’s it – in grote lijnen. Tien minuten werk. Max. (Plus afkoeltijd natuurlijk. Maar dan kun je wat anders gaan doen.)

Over de ingrediënten

Melk dus. Ik gebruik meestal koemelk, maar plantaardige melk gaat ook prima. En wat ook lekker is: half melk, half fruitmoes. Dan krijg je fruitvla. 

Dan het bindmiddel: per halve liter melk pakweg 30 gram rijstmeel (= ongeveer drie eetlepels). Rijstmeel proef je niet, het bindt goed en laat zich zonder klonteren door de melk kloppen- maar in principe kun je iedere soort meel of bloem gebruiken om vla te maken. Mijn antieke huishoudschoolkookboek stelt maizena voor, 25 gram per halve liter melk. Dat moet je wel even met koude vloeistof tot een papje roeren voordat het bij de warme melk gaat, want maizena klontert snel als het warm wordt.

De precieze hoeveelheid bindmiddel is overigens naar eigen inzicht. Hou je van dikkere vla (richting pudding) dan gebruik je wat meer, wil je dunnere vla, dan gebruik je wat minder. 

Dan de smaakmaker. Chocolade dus, in dit geval. In welke vorm dan ook – als ik het in huis heb kies ik liever voor stukjes (pure) chocola (gewoon van een reep dus) dan voor cacaopoeder. Gebruik zoveel als je zelf lekker vindt, dat is een kwestie van doorroeren en proeven. Cacaopoeder: zo ongeveer 25 gram per halve liter melk. De poeder even omroeren met een beetje melk gaat klontjes tegen (en je zou ook nog eerst chocolademelk kunnen maken en die daarna kunnen binden).

Het leuke is dat je allerlei soorten smaakjes kunt gebruiken. Kookvriendinnetje Kim van Feed your roots (even ongegeneerd reclame maken hoor: als je biologische cateraar zoekt in de omgeving van Soest moet je bij haar zijn!) leerde me sinaasappel- en hazelnotenvla maken. Zelf maakte ik laatst een vlierbessenvla met vlierbessensiroop en specerijen, en die simpele chocoladevla kun je spannender maken met gembersiroop (en stukjes stemgember), sinaasappelrasp of amaretto met verkruimelde bitterkoekjes. 

Dan het zoet: gebruik vooral jouw favoriete zoetstof. Het grote voordeel van witte suiker vind ik dat geen extra smaakjes toevoegt, anders dan bijvoorbeeld honing, ahornsiroop ed. Hoewel dat smaakje juist ook weer een voordeel kan zijn natuurlijk. Hoeveelheid alweer naar smaak – proeven dus! Als je stukjes chocola gebruikt als smaakmaker (of siroop, likeur en dergelijke) hoeft er meestal weinig tot geen extra suiker bij. Mijn huishoudschoolkookboek vindt dat er 60 gram suiker bij mag (op 25 gram cacao, en een halve liter melk) – maar dat lijkt me wat veel. Ik weeg niet, ik proef: the proof of the pudding is in the eating

PS Helemaal gladde vla maken is best een kunstje: er blijven altijd wel wat klontjes. Ik vind dat zelf niet erg, maar als je gruwelt van klontjes kun je de vla ook gewoon even zeven. 

Oeps… het kerstdiner! Festive veggies

Zo fijn ieder jaar, die alles-moet-nog-even-af-voor-de-kerstvakantie drukte. En dan is er zo’n stemmetje in je achterhoofd dat zegt: “kerstdiner”. “Kerstdiner!”. “KERSTDINER!!!”. Wat te doen? Want het gaat natuurlijk allemaal om samenzijn en vrede op aarde en meer van dat soort tradities (hum…) – maar, nou ja, je wilt toch ook geen stamppot boerenkool eten met Kerst. En ook niet zwetend in de keuken staan met ultra-ingewikkelde recepten die je nooit eerder hebt gemaakt. Anti-stress-tip: niet doen. Gewoon niet. Blijf lekker een beetje binnen je comfortzone. Niet te ingewikkeld, wel feestelijk. 

Ik ga er voor het gemak even van uit dat je al een hoofdgerecht hebt, maar of je nou kalkoen eet, knolselderijgebraad of feestelijk gefrituurde tofu – misschien zijn een paar niet al te ingewikkelde en toch speciale groentegerechten wel fijn. Feestgroente dus, of – omdat het in het Engels lekkerder bekt – festive veggies.

Geroosterde pompoen

Dit is een van mijn lievelingsgerechten. Zoet, kruidig, met een bite en toch koesterend. Comfort food in optima forma. Qua kerstdiner ook fijn: het is prima van te voren te maken, en ook op kamertemperatuur heel lekker. Bonus: van kliekjes maak je verrukkelijke soep.

Nodig:

  • 1 pompoen, een gewone oranje of een flespompoen
  • olijfolie
  • zout, peper
  • specerijen naar keuze


Hoe maak je het? 

Was de pompoen, verwijder de steel en het kontje, en snij lelijke plekjes van de schil. De rest van de schil lekker laten zitten, die is bij alle oranje pompoenen prima eetbaar. Snij de pompoen in stukjes.

Pompoensnijtip! 

In veel recepten lees je dat je een pompoen moet halveren en vervolgens de pitten met een lepel moet uitscheppen. Ik heb het afgelopen jaar zonder overdrijven tientallen pompoenen schoongemaakt en vind dit ontzettend onhandig. Hoe ik het doe:

  • Zorg voor een goed scherp mes. Even een aanzetstaal er langs doet al wonderen! 
  • Snij een stuk van de pompoen, niet te groot, alleen door het vruchtvlees. Probeer het middendeel met de pitten heel te laten. 
  • Leg de pompoen op de afgesneden zijde en herhaal
  • Werk zo de hele pompoen rond: in pakweg zes snedes snij je al het vruchtvlees weg. 
  • Snij de bovenkant en onderkant van de pompoen af

Als je dit eenmaal in de vingers heb je in een mum van tijd een aantal verder te verwerken grote stukken, en hou je een keurige kern over zonder te hoeven frutten met de glibberige prut rondom de pitten. 

Snij de pompoen in stukken ter grootte van pakweg een vinger en doe ze in een ovenschaal met een bescheiden scheutje olijfolie. Bestrooi met wat zout en peper en kruiden of specerijen naar keuze. Mijn favoriete combinatie op dit moment is chiliflakes en venkelzaadjes, maar tijm en knoflook zijn ook heerlijk, of rozemarijn, gember of salie. Kies een (combinatie van) specerij(en) die ook terugkomt in je hoofdgerecht. Rooster de pompoen op 220°C tot hij gaar en zacht is, en her en der wat geroosterde randjes heeft – dat duurt meestal ongeveer 20 minuten. 

Serveer op een mooi schaaltje, en versier met fijngehakte kruiden, een paar schijfjes citroen of bijvoorbeeld wat pompoenpitjes.

Kerstproof knolselderij

Zo’n recept dat vrij simpel is, verbijsterend lekker en ook nog eens feestelijk. Ik zeg: winner. 

Nodig:

  • 1 knolselderij
  • 1 granaatappel, of 2 sinaasappels
  • handvol walnootjes
  • volle, dikke yoghurt. Ik vind de Yogarde van Drentse Aa het allerlekkerst.
  • walnotenolie
  • zout

Rooster de walnoten in de oven (8-10 minuten op 175°C) en laat afkoelen. Meng een flinke schep yoghurt met zoveel walnotenolie dat je de walnoot echt proeft en breng op smaak met wat zout.

Schil de knolselderij, en maak ‘m fijn. Je kunt ‘m raspen of fijnhakken, of schaaf er plakjes van. Een keukenmachine is wel een aanrader, maar het hakhakje van een staafmixer doet ook al wonderen, dan krijg je een soort knolselderijkruimels. Schep de dressing meteen door de knolselderij. 

Haal de pitjes uit een granaatappel, of schil de sinaasappels zo dik dat je al het wit wegsnijdt, en snij in stukjes. 

Meng de knolselderij met het fruit en de walnoten, en schik mooi op een schaal. Ook lekker, en mooi: nog wat waterkers of rucola erdoor. 

Spruiten met pastinaak en hazelnoten

Voor mij horen spruitjes net zo bij een kerstdiner als ballen in een kerstboom. En het allerlekkerst vind ik ze met pastinaak, hazelnoten en eventueel wat uitgebakken spekjes. 

Nodig:

  • pondje spruiten 
  • 1-2 pastinaken
  • teen knoflook, fijngehakt
  • boter,
  • zout, peper
  • hazelnoten
  • drupje citroensap

Hoe maak je het?

Rooster de walnoten in de oven (8-10 minuten op 175°C) en laat afkoelen.  Leg de hazelnoten in een dubbelgevouwen theedoek en wrijf de velletjes eraf. Laat ze heel, of hak ze fijn. 

Schil de pastinaak en snij in blokjes. Maak de spruiten schoon. Verhit een klontje boter in een koekenpan en doe de spruiten en de pastinaak erbij. Bak even aan op tamelijk hoog vuur, zet dan zachter en doe de knoflook erbij. Laat de groente met een deksel op de pan de groente rustig gaar worden. Maak af met zout en peper, nog een beetje extra boter, en een drupje citroensap. Bestrooi met de hazelnoten. 

Nog een paar fijne groentegerechten

En als je dan toch dreigt te gaan stressen, kijk dan vooral nog even naar de tips van Koken met Karin voor een stressvrij kerstdiner. 

Fijne dagen! 

PS Mocht je nog op zoek zijn naar een leuk kerstcadeau: ik geef in 2017 weer drie keer de korte kookcursus Aandacht voor eten. Kan prima onder de boom! 

Waardebepaling achteraf – wat, hoe en waarom

Ik krijg geregeld de vraag waarom ik werk met waardebepaling achteraf (WBA). Het roept verwarring op: “Maar wat kost het nou? Hoeveel moet ik dan geven?” En soms ook verzet: “Ik wil helemaal niet zelf een prijs bepalen, dat is jouw taak.”

euro_banknotesMet dat laatste had mijn gesprekspartner wel een punt: we zijn in het dagelijks economisch verkeer gewend dat de verkoper de prijs vaststelt. De gemiddelde burger in Nederland, die zijn aankopen doet in winkels, die is niet gewend om te onderhandelen. Maar staat diezelfde gemiddelde burger op Koningsdag op de vrijmarkt, bij de garage voor een nieuwe auto, of op een bazaar in een warm vakantieland, dan zijn prijzen ineens wèl bespreekbaar. Ook vinden we het heel gewoon om te onderhandelen over huizenprijzen, salarissen of over de tarieven van de schilder of klusjesman. Kortom, er is meer dan vaste prijzen…

Waardebepaling achteraf is géén onderhandelingsproces

Onderhandelen betekent meestal dat we allebei het onderste uit de kan proberen te halen. Jij wil zo min mogelijk betalen, ik wil zoveel mogelijk ontvangen. Dat is een beeld van het economisch verkeer dat gebaseerd is op wantrouwen en een win-verlies-denkmodel. Maar dat hoeft niet zo te zijn, dat is geen natuurwet of zo. Het kan ook anders.

Ik ben wat tegenwoordig op social media sarcastisch een “gutmensch” heet – een onversneden idealist. En ik schaam me daar niet voor: ik geloof oprecht dat een betere wereld mogelijk is. Mooier, gezonder, rechtvaardiger. En ik geloof ook dat de beste manier om dat te bereiken is om te handelen alsof die wereld er al is. Nu. Hier. Vandaag. 

En dat betekent onder andere dat ik economische transacties wil bekijken als een gelijkwaardige uitwisseling. Ik doe iets voor jou (een cursus of lezing, cateringklus, kookdemonstratie, enzovoorts) – en jij geeft daar iets voor terug dat maakt dat we met een tevreden gevoel afscheid nemen. Meestal in de vorm van geld: mijn leveranciers en de verzekering doen het ook niet voor dank en kusjes. Geld is een uitermate praktisch ruilmiddel dat het mogelijk maakt om dingen te vergelijken. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van allerlei factoren, die te maken hebben met mij, met jou, en met de markt: 

  • mijn kosten
  • de bestede tijd
  • de gangbare prijs voor vergelijkbare goederen of diensten
  • hoe tevreden jij bent met het geleverde
  • jouw besteedbaar inkomen 

Waardebepaling achteraf in de praktijk

Voor de cursussen bepaal ik zelf de kaders. Dat betekent dat ik een bepaald bedrag aan inschrijfgeld reken, om er zeker van te zijn dat je daadwerkelijk meedoet en om de kosten van de voorbereiding, zaalhuur e.d. te kunnen dekken. Dat inschrijfgeld is ook een ondergrens die het voor mijzelf hanteerbaar maakt. Experimenteren met WBA is spannend, voelt zowel praktisch als mentaal heel kwetsbaar. Omdat het nog vrij onbekend is gaat het soms ook mis, waarbij er een mismatch blijkt tussen mijn verwachtingen en die van jou. Die vraagt dan weer om heldere communicatie en openheid, en dat vind ik ook zelf nog best ingewikkeld…

Concreet werkt het als volgt: na afloop van de cursus bepaal je zelf de waarde van het geheel. Je betaalt dan de laatste bijeenkomst een bedrag in cash, of maakt het achteraf over. Indien gewenst maak ik dan een factuur voor het betaalde bedrag. Om tegemoet te komen aan de mensen die hier echt heel ongelukkig van worden is er ook de mogelijkheid om bij aanmelding al een vastgestelde standaardprijs te betalen. 

Voor kookopdrachten en catering is het een kwestie van overleggen. Diensten ruilen is zeker een optie: zo kookte ik deze week nog in ruil voor meditatielessen. Vaak komen we toch uit op een vooraf afgesproken prijs – hoewel meer betalen natuurlijk altijd mag als je erg tevreden bent 😉  Dit moet ook nog een beetje op z’n plek vallen allemaal – maar vooralsnog ben ik er wel blij mee. 

 

 

The morning after – een dag voor comfortfood

Ik was gisteren bezig aan een stukje over al dan niet lokale suiker. En toen werd ik vanochtend ineens wakker in een andere wereld. Donald Trump heeft de Amerikaanse verkiezingen gewonnen. OMG. Ik ben geschokt, angstig. Maar gek genoeg ergens ook… hoopvol is niet het woord. Meer het gevoel te leven op een moment van mogelijkheden. Alles ligt nu open. Ik ben zo toe aan radicale verandering, een nieuwe wereld, het dolgedraaid economisch systeem op de helling. Is dit die helling dan, anders dan gehoopt maar misschien toch een route naar verandering? Of is het het hellend vlak naar de Apocalyps? Ik weet het niet. Maar bang blijven is simpelweg geen optie. Opgeven ook niet. Stug blijven werken aan een betere wereld wel. Who needs politicians anyway? 

Wat ik wel nodig heb vandaag is troosteten. Voedsel dat me helpt gronden in het hier en nu. In wat echt is. Dat me helpt verbinden met mijn geliefden, met m’n hart, ziel en lichaam. Weg van de beeldschermen, de angst. Dus. Als ik de kinderen van school heb gehaald ga ik fijn koken straks. Comfortfood. 

foto via grootmoederstijd.nl
foto via grootmoederstijd.nl

Kippensoep met knollen

Kippensoep is altijd goed. Voor voor herstellende zieken, of op dagen van verdriet of rouw. En de zachte zoete volheid van wortel- en knolgroenten maakt er een ultiem troostsoepje van. Het internet staat al vol met soeprecepten, maar dit is zo ongeveer de mijne voor vandaag. 

De bouillon:

  • kippenvleugeltjes
  • wat knol- of groenselderij 
  • een wortel
  • een ui, of prei
  • teen knoflook, geplet
  • olijfolie
  • zout& peper, tijm, evt. venkelzaadjes en/of chiliflakes

Verwarm de oven voor op 180 graden. Snij de groente in stukken, en doe met de kippenvleugeltjes in een ovenschaal. Schep alles om met een beetje olijfolie, en bestrooi met tijm, misschien wat venkelzaadjes. Als je blij wordt van pittig: doe er wat chiliflakes bij. Bak in de oven tot de vleugeltjes en de groente goed gaar zijn en lekker zoet (pakweg een half uurtje). 

Doe alles in een soeppan met zoveel water dat de boel net onder staat. Laat trekken tot alle smaken in de bouillon zijn opgenomen (een half uurtje doet al een boel, een uur is prima, nog wat langer kan geen kwaad) en zeef de bouillon dan. Gooi de groenten weg. Als het vlees aan de botjes nog iets van smaak heeft (of als je het niet over je hart kunt verkrijgen om het weg te gooien) kun je dat nu uit de prut vissen en later weer toevoegen aan de soep.  

De soep:

  • prei
  • wat wortelgroente naar keuze: knolselderij, pastinaak, wortel, wortelpeterselie etc. Niet te veel. 

Snij de prei in ringetjes, en de wortelgroente in kleine blokjes. Verhit wat olie in een soeppan, doe de groente met wat zout erin en laat even stoven. Doe dan de bouillon er bij, en laat trekken tot de groente gaar is. Breng op smaak met zout en evt. peper. 

Ook lekker: fijngesneden knolvenkel erdoor (vooral wanneer je kookt voor iemand met een verse baby), peterselie (doe dan de steeltjes bij de bouillon), of een handvol maiskorrels. 

Spaghetti alla Carbonara met knolselderij

Een koolhydratenbommetje. Zacht, romig, troostrijk: pasta, ei, kaas, spekjes. En ook nog snel klaar. Mijn twist: ik voeg knolselderij toe aan de spekjes. Deze versie is met room – ik heb vandaag maling aan purisme. En de room maakt de carbonara zachter in je mond. Met alleen ei kan het wat stroef aanvoelen soms, de room neemt dat weg. 

spaghetti_carbonara
Foto via wikipedia, door Popo le Chien – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=52325651

Wat gaat er in:

  • spaghetti. Ik doe ongeveer 300 gram voor 2 volwassenen en 2 kinderen. 
  • knolselderij, flinke handvol, in kleine blokjes
  • teen knoflook, fijngehakt
  • spekjes, ongeveer een onsje
  • 2 eieren
  • scheut slagroom 
  • handje geraspte oude of overjarige kaas (ik gebruik meestal een lokale koeie- of schapekaas, liever dan parmezaan of pecorino uit Italië).

Hoe maak je het:

  1. Doe de spekjes in een pan, en laat ze even bakken tot ze niet meer helemaal rauw zijn. Voeg dan de knolselderij en knoflook toe en zet de pit laag. 
  2. Kluts de eieren, meng de kaas er door.
  3. Voeg wanneer de knolselderij bijna gaar is de room toe, en laat die op een zacht vuurtje een tikje inkoken. 
  4. Kook de pasta beetgaar. 
  5. Haal de pan met het spekjes-knolselderij mengsel van het vuur en laat iets afkoelen (maar niet te veel). 
  6. Giet de pasta af, en schep zo snel mogelijk de warme pasta door de spekjes en selderij. Voeg het eier-kaas mengsel toe. Roeren, en niet meer verhitten, dan stolt het ei – de bedoeling is dat je een zachte saus krijgt, geen roerei. Bestrooi met royaal zwarte peper, en eet meteen op. Vooruit, met een groene salade voor de balans.

browniesTroostbrownies

Dat recept schreef ik vier jaar geleden al eens op. Misschien maak ik er wel vla bij. 

 

Meer troostrecepten

Antoinette van de fantastische site Italiaans koken met Antoinette plaatste vanochtend een heerlijk recept voor gnocchi uit de oven met mozarella en tomaten. Lasagne is ook fijn, of pompoensoep. Pompoen sowieso: risotto met pompoen bijvoorbeeld. Groentesoep zoals oma die maakte. Of misschien laat jij je troosten door stamppot, met de laatste andijvie of de eerste boerenkool van het jaar.

Nou ja. Ik zou graag afsluiten met iets fijns, iets troostrijks, iets hoopvols. Maar ik heb even niks. Ik ga zo mijn kinderen een knuffel geven, koken met een mooi muziekje erbij, op zoek naar de positiviteit. Omdat dat altijd beter is dan angst. 

Liefs,

Anouk 

Ik ga op vakantie en neem mee… echt eten onderweg

Vakantietijd! Heerlijk. Even weg van alles, genieten, ontspannen… daar zijn we toch helemaal aan toe? Het is best verleidelijk om dan al die dingen waar we de rest van het jaar zo druk mee zijn even aan de kant te zetten. Gezond eten doen we thuis wel weer. En duurzaamheidsvraagstukken zijn thuis al zo ingewikkeld & ongezellig, laat staan dat we ons daar op vakantie mee bezig willen houden. Toch?

echt echt onderweg

Nou ja, dat kan. En als jij graag wegrestaurantschnitzels met zigeunersaus eet onderweg, of niet wilt nadenken over de ecologische voetafdruk van je vliegreis naar Verweggistan dan moet je dat vooral zelf weten. Dan is dit stukje niet voor jou. Maar ik kan dat steeds minder. En dat is geen kwestie van schuldgevoel, of van kijk-mij-eens-verantwoord-bezig-zijn. Het is meer een soort jeuk, die zich niet zo goed laat negeren en m’n vakantie leven minder leuk maakt als ik dat toch probeer. Plus natuurlijk dat ik ook op vakantie geen zin heb om vieze dingen te eten. 

En als ik dat zo voel heb jij dat misschien ook wel. Een beetje, of soms. Daarom vandaag mijn tips voor eten onderweg – ook voor wie niet superverantwoord op fietsvakantie naar een natuurkampeerterrein in Drenthe gaat. En als ik inspiratie hebt volgt er misschien ook nog wel een stukje over campingkoken. Maar misschien ook wel niet. Want hé, ’t is wel vakantie 🙂 

Kokkerellen kan – maar hoeft niet

Fatsoenlijk eten begint altijd bij vooruitdenken, dat geldt onderweg nog meer dan thuis. Wil je geen kleffe benzinestationbroodjes of kartonnen hamburgers? Dan moet je dus eten meenemen.  Vooral ook dingen die je lust en waar je blij van wordt. En als je nou zo georganiseerd bent dat ruim voor vertrek alles ingepakt is, het huis schoon en de paspoorten verlengd, dan kùn je natuurlijk lekker gaan staan kokkerellen. Have fun. Maak quiche, granolarepen en/of boekweitwraps. Google eens op picknickrecepten. Maar als je net zo ongeorganiseerd bent als ik en de laatste dag voor de vakantie altijd nog veel te veel moet dan is er ook nog wel een middenweg.

1. Rauwkost. Veel rauwkost. Nog meer rauwkost. 

Rauwkost is voor ons de basis onderweg – de rest is aanvullend. Er gaat dus veel van mee: voor een reis van twee dagen minstens drie komkommers, een bos wortels, een paar paprika’s, twee bollen knolvenkel (“dat smaakt naar dropjes mama”), en een struik bleekselderij (waar ik vooral zelf van eet, toegegeven). Kerstomaatjes zijn wel goed mee te nemen, maar ik blijf het in de auto altijd een beetje spannend vinden i.v.m. verslikken. Koolrabi & bloemkool kunnen ook goed.

Ik doe de groente gewassen maar ongesneden in de koeltas, en snij het onderweg in hapklare stukken. Mes en bordje mee dus. Tenzij je gaat vliegen. Duh. De kinderen krijgen rauwkost in een bekertje, dat minimaliseert de kans dat ik maanden later gemummifeerde komkommerplakken vind onder een autostoel. 

rauwkost

2. Maak die koelkast leeg

Ik vul de rauwkost aan met wat er toch op moet. Nog eieren in de kast? Bak omeletten en doe ze opgerold in een bakje. Vorkje erbij, klaar. Of maak Spaanse tortilla met aardappel & ui, of frittata’s met groente. In punten snijden, meenemen in bakpapier in een hersluitbaar plastic zakje. 

Kliekjes in de koelkast worden in mum van tijd salade. Soep in een thermoskan blijft verrassend lang warm, is heel geschikt om de koelkast leeg te maken en maakt zichzelf terwijl jij de badmintonrackets uitgraaft. 

Ga jij (of je reisgenoten) kwijlen bij de gedachte aan de mega-schnitzels langs de Duitse snelweg, maar wil je die eigenlijk niet eten want sneue varkentjes en zo? Neem dan gehaktballetjes mee, of gebraden kippenvleugeltjes (goed koelen natuurlijk, en niet te lang bewaren, maar dat spreekt voor zich toch?). Droge worst is ook erg geschikt om verstokte vleeseters tevreden te houden en minder bederfelijk. 

3. Broodjes & beleg 

Ik word blij van lekker brood. Geen broodfabriekbolletjes, maar goed vers brood van de bakker, en om bloedsuikerdips & gekibbel te voorkomen toch liever volkoren dan wit. Noten- of mueslibrood is fijn omdat het lekker vult en lang goed blijft. Ik smeer ze liefst onderweg, vooraf gesmeerde broodjes zijn toch minder aantrekkelijk. Verder gaan er rijstwafels mee, en kant-en-klare wraps. Eventueel voor onderweg, maar ze zijn ook handig voor een snelle maaltijd op de camping.

Onderweg geen boter – ik neem beleg mee wat zich op een bord op schoot laat smeren. Theedoek eronder voor de kruimels, klaar. Houmous, voor op de broodjes en om de rauwkost in te dippen. Meerdere bakjes, en geen zelfgemaakte dit keer:  die uit de winkel lijkt net wat beter houdbaar. (Plus: laatste-dag-voor-de-vakantie-stress.) 

Verder: een pot pindakaas, een pot jam. Een stuk kaas houdt het prima in de koeltas, en Hollander als ik ben gaat dan dus ook de kaasschaaf mee. 😉 

Fotocredits: Sallands houtovenbrood via  goudenpompoen.nl
Fotocredits: Sallands houtovenbrood via goudenpompoen.nl

4. Zoetigheid

Voor de lekkere trek. Omdat ik anders tijdens een plaspauze gegarandeerd zwicht voor ijs of snoep. Gedroogd fruit: rozijntjes, vijgen, dadels en/of bananenchipjes, etc. En ook fatsoenlijke chocola (in de koeltas) en lekkere koekjes. 

5. Iets aan zout snaaispul 

Om het zout aan te vullen – essentieel bij warm weer. Iets van chips, of kaaskoekjes. Ik als geitenwollensok word blij van groentechips, mijn gezin heeft liever pretzels. Ook goed. 

6. Meer water dan je denkt nodig te hebben

Last but not least:  veel water. Minimaal een paar grote flessen vol. Ik gooi ze (op één na) een dag van tevoren in de vriezer waardoor ze ook dienen als koelelement. 

Wij komen daar wel mee op onze bestemming. Met eens een kop koffie ergens onderweg, of misschien een bordje frietjes. En zoals altijd: als je nou toch zwicht voor die magnum of onverantwoorde hamburger, ga je dan niet schuldig lopen voelen en daarmee je humeur verpesten. Babysteps. Volgende keer beter. Goeie reis! 

 

 

 

So nice being green: pannenkoekjes met snijbiet en tuinmelde

Deze komt hoog op mijn lijst van mafste minder voor de hand liggende gerechten. Groene pannenkoekjes met regenboogsnijbiet en tuinmelde, met als toppings een nepkimchi van spitskool, een per-ongeluk-stoofje van savooiekool, berglinzen & dadels, en grove houmous. Ik maakte dit afgelopen zondag op de open dag van Zelfoogsttuin De Nieuwe Akker in Schalkhaar, en ondanks de maffe naam vond iedereen het lekker. Dus zoals beloofd: bij deze de recepten.

Klik hier om direct door te gaan naar de recepten. 

Maar eerst even over De Nieuwe Akker. Het is een prachtig plekje, op het platteland bij Deventer. Een zelfoogsttuin: je kunt een oogstaandeel nemen, en dan wekelijks zelf je verse groente komen oogsten. En wat voor groenten! Vers en levend, onbespoten, tintelend van smaak. Het is een CSA-tuin, wat staat voor Community Supported Agriculture. Dat is een vorm van landbouw waarbij de boer en de deelnemer geen verkoper & klant zijn, maar daadwerkelijk een relatie aangaan. Het risico delen, samen plannen maken. Het is een prachtige manier om bewuster bezig te zijn met je eten zonder dat je nou per se zelf een moestuin aanlegt. Woon je in de buurt, dan zou ik zeggen: ga eens kijken! En voor iedereen die niet in de buurt woont: ik hoorde via Twitter dat er iemand bezig is met het aanleggen van een lijst van alle CSA-initiatieven in Nederland. Als die lijst gepubliceerd is zal ik hier een linkje neerzetten. Voor Vlaanderen vind je hier een overzicht.

Ik zag trouwens ook heel veel kinderen gisteren op de open dag. Kinderen die wéten dat wortels niet aan bomen groeien maar in de grond. Kinderen die vol enthousiasme aardbeien en aalbessen gingen plukken, of sprinkhanen vangen. En die niet alleen pannenkoekjes met tuinmelde durfden te proeven, maar zelfs terugkwamen voor een tweede portie. Ha! In deze weken van oproer over voedselonderwijs is dat wel een eyeopener. Die kinderen moeten gewoon hun lokaal uit, lekker de tuin in! 

Kijk, een sprinkhaan!

Tuinmelde? Regenboogsnijbiet? Wasda? 

Ook zo leuk aan zo’n tuin is dat je nog eens andere groentes leert kennen. Snijbiet is een bladgroente, letterlijk het blad van de bekende rode bietjes. Behalve dan dat het zaad niet veredeld is op het maken van smaakvolle knollen, maar op groot mals blad en flinke, prachtig gekleurde stelen. In Nederland geldt snijbiet als “vergeten groente”, maar in andere landen is het een vrij gangbaar product. In Italië heet het bietola, in Engeland chard, in Frankrijk blette. In veel recepten worden de stelen en het blad apart bereid, maar dat hoeft niet. Kort door de bocht kun je zeggen dat je het kunt gebruiken als spinazie: uitje-knoflookje fruiten, snijbiet met aanhangend spoelwater even aanstoven, beetje zout erbij, of misschien een ansjovisje en wat chilivlokken. In veel gerechten is het lekker als je het afmaakt met een drupje citroensap of goeie azijn. 

Ook tuinmelde is een oude bladgroente in prachtige kleuren. Hij komt in rood, groen, en een bijna fluoriserend geel-groen waar ik helemaal verliefd op werd. Hij smaakt mild, heeft zacht, vrij kwetsbaar blad dat je zo vers mogelijk moet eten. (En even een botanisch uitstapje: ik heb gisteren lopen vertellen dat melde een plant uit de ganzenvoetfamilie is, net als spinazie, maar dat klopt niet. Wikipedia leert me dat de ganzenvoeten en de meldes twee verschillende geslachten zijn uit de amarantenfamilie. Oeps. Bijna goed, maar net niet. Excuus.) 

IMG_8921

Genoeg gekletst! Recepten!

Groene pannenkoekjes

Wat gaat er in?

  • Pannenkoekenbeslag. Dat hoef ik niet uit te leggen denk ik? Mijn eigen beslag is elke keer weer anders, afhankelijk wat ik in huis heb. Ik gebruik verschillende soorten meel (rogge, boekweit, haver) in combinatie met tarwe- of speltbloem. Soms gaat er havermout door, of lijnzaad. Peulvruchten- of kastanjemeel, of zelfs gemalen noten. Allemaal lekker. Je beslag mengen met pompoen-, bietjes- of wortelpuree is overigens ook een traktatie, maar meer iets voor de winter. 
  • Handjevol snijbiet en tuinmelde. Of spinazie, of andere groene blaadjes. 

Hoe maak je het?

  1. Was de blaadjes en maak ze droog. Snij de blaadjes in heel kleine stukjes en schep door je beslag. Wanneer je uitsluitend groen blad hebt kun je kunt ze ook grof gesneden bij je beslag doen en dan de staafmixer erdoor halen, dan krijg je egaal groene pannenkoekjes. Bij regenboogsnijbiet kun je dat beter niet doen, die mooi gekleurde stelen geven wanneer je ze pureert een bruine derrie, want groen-met-rood. 
  2. Bak pannenkoekjes. 

IMG_8928

Stoof van savooiekool, linzen en dadels

Ik zou dus gevulde koolrolletjes maken voor de open dag, maar dat bleek heel veel werk. Heeel veeel werk. Toen werd het een stoofje. Als je je verveelt kun je ook vulling maken van alle ingrediënten behalve de kool en de tomaat, en dan de vulling in geblancheerde koolbladeren wikkelen, en de rolletjes stoven in de tomaat. 

Wat gaat er in?

  • ui, gesnipperd
  • knoflook. Fijngehakt of geperst. 
  • komijnzaadjes
  • droge linzen, het soort dat niet voorgeweekt hoeft en dat heel blijft wanneer je ze kookt. Bruine, zwarte, groene, puy, of berglinzen: allemaal goed. 
  • savooiekool, buitenste bladeren verwijderd 
  • schep gekookte zilvervliesrijst (kliekje) 
  • kurkuma
  • kaneel
  • dadels, fijngehakt
  • blik tomatenblokjes, of passata (gepureerde tomaten)

Hoeveelheden: zoals altijd naar eigen inzicht. Jij weet hoeveel jouw huishouden eet, ik niet. En het luistert allemaal niet zo nauw bij dit soort gerechten. 

Hoe maak je het?

  1. Als je koolrolletjes wilt maken: blancheer de koolbladeren door de kool in zijn geheel in kokend water te leggen en iedere keer de gare, buitenste bladeren er af te halen. Voor de stoof: snij kool in stukjes. 
  2. Fruit de ui tot hij zacht is
  3. Voeg de knoflook en de komijn toe, bak even mee
  4. Voeg de linzen toe en een scheut water of bouillon. Kook de linzen zo goed als gaar. Hou de pan in de gaten en voeg indien nodig vocht toe, maar maak er geen soep van. 
  5. Voeg de kool, kaneel, kurkuma en dadels toe. Laat stoven tot de kool gaar & de linzen gaar zijn.
  6. Voeg de tomaat en de rijst toe en warm alles door. De tomaat dient om de ingrediënten bij elkaar te brengen, het moet geen saus worden maar wel een samenhangend geheel. 
  7. Proef, breng op smaak met zout en peper, eventueel wat extra kaneel. 

Gebruik de stoof warm of koud als topping op de pannenkoekjes. Of eet ‘m zo. En bewaar kliekjes voor lunch de volgende dag. 

Nepkimchi 

Kimchi is een spicy Koreaanse zuurkool, en heeft net als de Europese zuurkool tijd nodig om te rijpen. Dit gerecht (gebaseerd op een recept uit De dikke vegetariër) is daarom geen echte kimchi, meer een pittige koolsalade – maar wel erg lekker. 

Wat gaat er in?

  • spits- of andere kool
  • 5% pekel: 50 gram zout opgelost in een liter water, afgekoeld naar kamertemperatuur
  • een stuk of wat knoflooktenen, geplet en grof gehakt
  • een stuk verse gember, geschild en in stukjes gesneden
  • één of meer rode pepers, kleingesneden
  • sojasaus (ik gebruik tamari)
  • evt. een beetje (kokosbloesem)suiker

Hoe maak je het?

  1. Trek de bladeren van de kool en doe ze in de pekel. Laat een paar uur tot een nacht staan. 
  2. Spoel de kool goed af, zet eventueel een tijdje in een kom met schoon water. Herhaal tot hij niet meer te zout smaakt. 
  3. Stamp de knoflook en de gember (evt. met een beetje suiker) in een vijzel tot een gladde pasta. 
  4. Roer de sojasaus door de gember-knoflookpasta, en schep de saus en de pepers door de kool. 
  5. Laat de smaken minimaal een uur intrekken. 

De salade is volgens Mark Bittman nog een week goed in de koelkast.