Weg met het perfectionisme: 5 vuistregels om duurzamer te eten

Long overdue: een Lekker van ’t land-blogje over radijsjes, een stuk over melk & koeien, én een fijn sausjesrecept. Komt er allemaal aan – maar niet vandaag. Want ik wil het even hebben over perfectionisme. Over dat je soms echt helemaal geen zin hebt om te denken “wat zit hier eigenlijk in”, “waar komt dat precies vandaan” en “is zus & zo wel fatsoenlijk geproduceerd”? Dat je soms ontzettende trek hebt in pizza met salami, of dat je per ongeluk ergens gaat eten waar de vegetarische keuze beperkt blijkt tot één enkel onaantrekkelijk gerecht met paddenstoelen. Dat je even snel boodschappen wilt doen, rats-rats-klaar –  want je hebt nog meer te doen. Dat je vandaag eens niet de afweging wilt maken tussen goedkoop-maar-van-twijfelachtige-herkomst en peperduur-maar-waarschijnlijk-beter-voor-de-planeet, waarbij je ook moet denken aan het peil van je bankrekening, de toestand in de wereld, de weersverwachting en wat er ook weer in het seizoen is deze maand.

Hou toch op zeg! Waarom moet eten zo moeilijk zijn? En hop, daar gaat het koppie weer: terug het zand in. Want je kunt het toch nooit goed doen, dus laat ik dan maar ophouden met nadenken. Anders speelt het schuldgevoel te veel op. 

Dat, dus. Herkenbaar? Laat ik het nog eens herhalen:

Je kunt het nooit helemaal goed doen.

In  deze maatschappij is het (zo goed als) onmogelijk om ALTIJD duurzame keuzes te maken. En als je dat toch probeert lijd je vermoedelijk aan een duurzaamheids-tegenhanger van orthorexia: die modieuze dwangstoornis waarbij mensen zich zo druk maken over gezond eten dat ze een beetje van het padje raken. Nu duurzaam eten wat meer in de belangstelling komt zal het vast niet lang duren voordat één of andere krant met een stukje komt dat het allemaal maar belachelijk is en dat mensen vooral weer gewoon moeten gaan eten (en ophouden met nadenken). Oh wacht – dat stukje was er al. En daar vond ik wat van. 

Anyhoe. Punt is: we leven in een wereld waar de productie van zo ongeveer alles bijna altijd ergens schade doet. Bij iedere vraag die je beantwoordt doemen er weer vijf nieuwe op. Of vijftien. Of vijftig. Het is om wanhopig van te worden. Dat is ook niet onterecht: die wanhoop is volgens mij een heel gezonde reactie op wat we de aarde aandoen. Maar perfectionisme, en vooral de psychologische cirkel van falen en schuldgevoel die daar bijhoort, gaat daar geen oplossing voor bieden. Sterker nog: het helpt ons van de wal in de sloot. 

dontletperfectbetheenemyofgood
Foto via Pinterest.

De 80-20 van duurzaam eten

Ik las gisteren een (oud) blogje van De Groene Vrouw over gezond eten & perfectionisme, en ik dacht: ja, dat geldt dus ook voor duurzamer eten. Kernpunt: Don’t let perfect be the enemy of good.  Probeer het niet 100% goed te doen. Dat lukt toch niet, waardoor je gefrustreerd raakt en de handdoek in de ring gooit. Wat wel helpt is het structureel duurzamer keuzes maken in de hoofdlijnen van je eetpatroon. Waarbij de 80-20-regel een prima handvat is. Wat dat ook weer was? Dat je met 20% van de inspanning 80% van het resultaat bereikt. Bij mij betekent dat op dit moment bijvoorbeeld:

  • dat het grootste deel van onze voedsel biologisch, lokaal en van het seizoen is, maar dat ik me niet druk maak over eventuele pesticiden op die enkele komkommer die ik zonodig snel even haal bij de Turkse supermarkt in de straat. Ik maak dan wel weer bezwaar wanneer manlief doet alsof hij echt gelooft dat 1*-beter-leven-scharrelvlees eigenlijk ook bijna biologisch is. 
  • dat ik buiten de deur zo goed als standaard vegetarisch eet – en als het even kan veganistisch. Maar ik ga ook rustig met de kinderen een niet-bio roomijsje eten om te vieren dat het mooi weer is.
  • dat ik graag en met liefde met iedereen een gesprek aan ga over voedsel en milieu, over dierenwelzijn, biodiversiteit en klimaat – maar wanneer ik bij iemand te gast ben & een stukje vlees voorgezet krijg dan eet ik dat beleefd op en ga ik niet lopen miepen of het wel bio is. Ik vind zulk gezeur gewoon onfatsoenlijk, en onfatsoen is er al veel te veel tegenwoordig. 

Dat soort dingen dus. Bij deze dus 5 vuistregels om duurzamer te eten.

1: Koop geen kiloknallers

Dit is natuurlijk het intrappen van een open deur, maar toch: koop geen kiloknallers. Een kilo kipfilet voor 5 euro?  Een doos vol ‘scharrel’-eieren voor weinig? Budgetmelk in grote plastic flessen, of kaas voor 5 euro per kilo? Laat ze staan. Met dat soort aankopen ondersteun je het veel-voor-weinig productiemodel, dat letterlijk alles ondergeschikt maakt aan een lagere prijs. Een model waarin boeren hun spullen structureel onder de kostprijs verkopen. De grootste klap die je kunt maken op het gebied van duurzaamheid is het laten staan van zulke “aanbiedingen”.

Maar maar maar… (hoor ik sommige lezers al roepen): dat kan ik niet betalen hoor, als ik duurder eten koop kom ik niet rond. Kijk. Ik kan niet in jouw portemonnee kijken, en dat wil ik ook helemaal niet. Maar ik spreek soms mensen die geen geld zeggen te hebben voor beter eten – maar die wel roken. Frisdrank kopen. Gaan skieën, of een flatscreen-TV in huis hebben van een meter doorsnee. Tsja. Kwestie van prioriteiten, dat is jouw keuze. Maar loop dan geen excuses te verzinnen. En voor iedereen die wèl een prioriteit wil maken van beter eten: misschien vind je een paar bruikbare tips in mijn e-bookje Betaalbaar bio in 6 stappen. Cadeautje! 

cover

2: Eet minder vlees

Dit geldt eigenlijk voor de meeste mensen wel. Als je vaker dan 2-3x per week vlees eet: doe eens een extra vega-dag. Al was het maar om beter te leren koken zonder vlees, dat vraagt namelijk simpelweg oefening. Goeie tips vind je in dit artikel uit NRC: Vleesloos de week door (en ribeye op zondag). En leer vooral ook zelf vega(n)-burgers maken: dat is niet alleen een fantastische manier om peulvruchten in je weigerachtige huisgenoten te krijgen (kuch), maar ook weer een extra methode om kliekjes op te maken. 

Eet minder vaak vaak vlees, maar ook: een kleinere hoeveelheid. Eet geen “stuk vlees” maar voeg een kleine portie vlees toe aan een gerecht dat vooral heel veel groente bevat. Vul je stoofpot aan met veel wortel- en knolgroenten, doe gemalen peulvruchten in je gehaktbal of burger, vervang een deel van het vlees in een gerecht door paddenstoelen, noten of tempeh. 

3: Kook zelf, mijd kant-en-klaar en pakjes&zakjes

Wat denk je, die “scharrel”-eieren in je mayonaise, of de ham op je kant-en-klaar pizza: zou de fabriek erg hebben gelet op duurzaamheid bij het inkopen van de ingrediënten? Ik geloof er niks van. Al die claims over “ambachtelijk”, “naar oma’s recept” en “met natuurlijke ingrediënten” zijn holle frasen: lees de columns van Teun van der Keuken in de Volkskrant. Producten uit de grootschalige voedingsindustrie worden zo goedkoop mogelijk geproduceerd, want moeten zoveel mogelijk winst opleveren. Is dat erg? Nou, als je duurzame productie en een fatsoenlijke prijs voor boeren belangrijk vindt dan is dat erg, ja. Kant-en-klaar = kiloknallers. Over het algemeen. 

4: Eet uit de buurt

Gooi je boodschappenpatroon om. Ga weg van de supermarkt, koop het grootste deel van je voedsel bij boeren uit de buurt. Neem een groentepakket, doe mee aan een voedselcollectief, wordt klant bij een streekkruidenier. Hier vind je een lijst van initiatieven. 

En die gestudeerde types die zeggen dat lokaal niet beter is? Die denken niet door. Sorry. Die doen alsof er geen verschil is tussen vollegrondstomaten die in de zomer in onverwarmde kas groeien op een boerderij bij jou in de buurt, en industrie-tomaten die geteeld worden op glaswol-met-kunstmest in een high-tech kas die verwarmd wordt met gesubsidieerd gas. Uit de buurt (en dus van het seizoen) is echt duurzamer. Dat is fatsoenlijk doorgerekend door mensen die er verstand van hebben. En dat betekent niet dat je het hele jaar stamppot moet eten. 

5: Geniet

Ha, die zag je niet aankomen hé 😉 

Maar toch is het zo. Duurzaam geproduceerd eten is vaak ook nog eens een keer stukken lekkerder. En dat kan ik niet uitleggen, dat moet je leren proeven. Ontwen de vlakke smaken van industrie-eten, en leer echt voedsel waarderen. Omfietswortels. Superverse raapsteeltjes. Eieren van écht scharrelende kippen met onwaarschijnlijk gele dooiers. Melk van koeien met hoorns die in een natuurgebied grazen. En als je dat soort smaken eenmaal gewend bent, dan wordt het allemaal stukken makkelijker. Dan is duurzamer eten geen moeten meer (want beter-voor-de-planeet) maar willen. Omdat het stukken aanlokkelijker is dan het alternatief. 

En die doodenkele keer dat je dan toch zin hebt in pizza? Geniet daar dan ook van! 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *